De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 17 september 2024 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet. De officier van justitie stelde het voordeel vast op €34.617,74, gebaseerd op een kasboek op de telefoon van veroordeelde.
De verdediging voerde aan dat kosten voor aanschaf van materialen en benzine, alsmede de inkoopwaarde van inbeslaggenomen verdovende middelen en geldbedragen, in mindering gebracht moesten worden. De rechtbank erkende de kosten voor weegschaal, seals (€1.133,70) en benzine (€600,00) als aftrekposten, evenals een correctie van dubbeltelling (€1.621,10). De waarde van inbeslaggenomen verdovende middelen (€10.000) en contant geld (€5.390) werden eveneens in mindering gebracht op de betalingsverplichting.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €31.262,94 en legde een betalingsverplichting van €15.872,94 op. Een draagkrachtverweer werd verworpen omdat niet aannemelijk was dat veroordeelde ook in de toekomst niet zou kunnen betalen. De duur van gijzeling werd vastgesteld op maximaal 317 dagen.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland en is gebaseerd op het vonnis van 6 februari 2024 en aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2023.