De officier van justitie vorderde op 23 augustus 2024 de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en betaling van €164.348 aan de staat. Verdachte was niet verschenen op de zitting, waarna verstek werd verleend. De dagvaarding en oproeping waren tijdig en op juiste wijze betekend en verzonden naar de laatst bekende adressen van verdachte, die echter feitelijk niet werden ontvangen.
Verdachte stelde via zijn advocaat dat hij pas op de dag van de zitting door familie en media op de hoogte was gesteld van de strafzaak en ontnemingsvordering. Hij wenste alsnog gebruik te maken van zijn recht op verdediging. De officier van justitie verzette zich tegen heropening, stellende dat verdachte wist van de zaak en de dagvaarding geldig was betekend.
De rechtbank oordeelde dat hoewel verdachte primair zelf schuld had aan het niet ontvangen van de oproepen, het recht op aanwezigheid en verdediging gerespecteerd moet worden. Daarom werd het onderzoek heropend en geschorst, met een nieuwe zittingsdatum waarop verdachte en zijn raadsman worden opgeroepen.