Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2024:1524

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
C/18/232990 / KG ZA 24-35
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 150 RvArt. 2 Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruiming huurwoning wegens langdurige huurachterstand en wanprestatie

Eisers vorderen ontruiming van de woning en betaling van achterstallige huur van €6.414,00 wegens wanbetaling door gedaagde. De huurovereenkomst is sinds 1 september 2019 van kracht, met een huurprijs van €1.069 per maand. Gedaagde heeft sinds juni 2021 niet steeds tijdig betaald en vanaf september 2023 zelfs helemaal niet meer.

Gedaagde is niet verschenen in de procedure, waardoor verstek is verleend. De rechtbank stelt vast dat eisers een spoedeisend belang hebben bij ontruiming en dat de huurachterstand aanzienlijk is. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden gebleken die ontruiming in de weg staan.

De rechtbank oordeelt dat de wanprestatie zwaarwegend is en dat toewijzing in een bodemprocedure waarschijnlijk is. Daarom wordt de ontruiming toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening. Gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, de lopende huur tot ontruiming, wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontruiming en betaling van achterstallige huur toe met een ontruimingstermijn van veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/232990 / KG ZA 24-35
Vonnis in kort geding van 5 april 2024
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.J. Blokzijl te Groningen,
tegen
[naam] [gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet in het geding verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de mondelinge behandeling van 3 april 2024 waarop [eisers] , bijgestaan door mr. Blokzijl, is verschenen. [gedaagde] is niet in het geding verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Het volgende staat tussen partijen vast en acht de rechtbank van belang.
2.2.
Tussen [eisers] enerzijds en [gedaagde] en zijn toenmalige partner anderzijds is met ingang van 1 september 2019 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woonruimte staande en gelegen aan [adres] . De huurprijs bedraagt thans € 1.069,00 per maand.
2.3.
In artikel 4.3. van de huurovereenkomst is bepaald dat de huur steeds uiterlijk op de 27ste dag voorafgaande aan de maand waarvoor de huur is bestemd moet zijn voldaan.
2.4.
Op verzoek van [gedaagde] is met ingang van 1 juni 2021 de huurovereenkomst enkel op zijn naam voortgezet.
2.5.
Vanaf 27 juni 2021 heeft [gedaagde] de volledige huur niet steeds tijdig en volledig betaald.
2.6.
[gedaagde] is op 19 maart 2023 strafrechtelijk veroordeeld voor verduistering van gelden van zijn oud-werkgever.
2.7.
De zwager van [gedaagde] heeft [eisers] op 27 juni 2023 telefonisch verzocht om de huurovereenkomst te ontbinden omdat [gedaagde] de huur niet kon betalen en zijn familie onder druk zette en bedreigde zodat deze geld aan hem overmaakten.
2.8.
Bij e-mailbericht van 12 augustus 2023 heeft [eisers] [gedaagde] onder meer gesommeerd om over te gaan tot betaling van de achterstallige huur van € 2.138,00 voor de maanden juli en augustus 2023. [gedaagde] heeft de achterstallige huur op 25 augustus 2023 betaald.
2.9.
Vanaf 27 september 2023 heeft [gedaagde] geen huurpenningen meer aan [eisers] betaald.
2.10.
Bij e-mail van 14 maart 2024 is [gedaagde] aangemaand om binnen vijf dagen over te gaan tot betaling van € 6.414,00. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - ontruiming van de woning aan [adres] binnen drie dagen na betekening van het vonnis en betaling van de achterstallige huur ten bedrage van € 6.414,00 alsmede de huur tot de datum van ontruiming. Ook vordert [eisers] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door de huur niet steeds tijdig en volledig te voldoen. De huurachterstand tot 25 maart 2024 bedraagt € 6.414,00. Daarnaast komt [gedaagde] volgens [eisers] zijn verplichtingen als goed huurder niet na door niet (voldoende) mee te werken aan onderhoud, herstel, vernieuwing of andere werkzaamheden die nodig zijn in verband met eisen of maatregelen van de overheid of nutsbedrijven.
3.3.
[gedaagde] is niet in rechte verschenen en voert dus geen verweer.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt vast dat bij het uitbrengen van de dagvaarding de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. [gedaagde] is niet verschenen bij de mondelinge behandeling van de zaak en heeft geen verweer gevoerd, zodat verstek is verleend tegen [gedaagde] .
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] , gelet op de aard van de ingestelde vordering, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde ontruimingsvoorziening.
4.3.
Een vordering tot ontruiming is een vergaande vordering, die in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Daarom is een vordering tot ontruiming in kort geding alleen toewijsbaar als met grote mate van waarschijnlijkheid is te voorzien dat zo'n vordering ook in een bodemprocedure toewijsbaar zal zijn.
4.4.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. Daarom moet worden uitgegaan van de juistheid van de door [eisers] gestelde feiten.
4.5.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt als uitgangspunt dat iedere tekortkoming in de nakoming (ook wel wanprestatie genoemd) grond kan opleveren voor ontbinding van een huurovereenkomst. Op de huurder rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stelplicht en bewijslast van de uitzondering op het uitgangspunt dat de tekortkoming, gezien de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, hetgeen meebrengt dat niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol, ongeacht de overige omstandigheden van het geval, kan worden toegekend. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. Deze beoordelingsruimte heeft de rechtbank ook indien tegen de huurder verstek is verleend. Deze rechterlijke beoordeling vindt vanzelfsprekend (ook in verstekzaken) wel haar praktische begrenzing erin dat de rechtbank slechts rekening kan houden met de voor haar kenbare feiten en omstandigheden (zie onder meer HR 29 september 2018, ECLI:NL:HR: 2018:1810).
4.6.
De rechtbank stelt vast dat bij dagvaarding sprake was van een huurachterstand van € 6.414,00 tot en met de maand maart 2024, zijnde zes maanden. Ter zitting is door [eisers] gesteld dat [gedaagde] ook na het uitbrengen van de dagvaarding geen betalingen heeft verricht zodat de huurachterstand verder is opgelopen.
4.7.
[gedaagde] is niet in de procedure verschenen en om die reden heeft [gedaagde] een persoonlijke toets van zijn situatie onmogelijk gemaakt. Het is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die aan de toewijzing van de vordering in de weg (kunnen) staan. Ten aanzien van de vroegsignalering zoals bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening heeft [eisers] zowel in de dagvaarding als ter zitting gesteld dat er diverse redenen aanwezig zijn waarom dit niet heeft plaatsgevonden. Nu [gedaagde] de juistheid hiervan niet heeft weersproken, kan het gegeven dat er geen vroegsignalering bij de gemeente heeft plaatsgevonden geen rol spelen bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt.
4.8.
Gelet op het voorgaande staat naar het voorlopig oordeel van de rechtbank vast dat [gedaagde] ernstig in zijn verplichtingen tegenover [eisers] is tekortgeschoten, zodat toewijzing in een bodemprocedure dusdanig aannemelijk is dat hierop in kort geding kan worden vooruitgelopen. De vorderingen komen de rechtbank tegen deze achtergrond niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vorderingen zullen worden toegewezen met dien verstande dat de ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde en niet weersproken wettelijke rente over de proceskosten ligt eveneens voor toewijzing gereed. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
  • kosten van de dagvaarding € 136,72
  • salaris van de advocaat € 715,00
  • griffierecht € 1.325,00
  • nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.354,72

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisers] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisers] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eisers] :
a. a) € 6.414,00 aan achterstallige huurtermijnen (tot en met de maand maart 2024),
b) € 1.069,00 per maand voor iedere maand na de maand maart 2024 of een gedeelte daarvan zolang [gedaagde] het gehuurde nog niet heeft ontruimd,
c) alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.354,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, alsmede tot betaling van een bedrag van € 92,00 indien niet tijdig aan die veroordeling wordt voldaan en betekening van het vonnis plaatsvindt en voorts te vermeerderen met wettelijke rente indien de betaling niet binnen genoemde termijn plaatsvindt tot de dag der algehele voldoening,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2024.
714