Op 17 november 2022 stichtte de verdachte brand in de doucheruimte van haar appartement door een brandend wc-papiertje in aanraking te brengen met benzine. De brand bleef beperkt tot de douche, maar rookgassen verspreidden zich via het ventilatiesysteem naar naastgelegen appartementen, waardoor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor andere bewoners ontstond.
De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte met voorwaardelijk opzet handelde en dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen en personen. De verdachte erkende de handelingen en het bewijs bestond onder meer uit forensisch onderzoek waaruit bleek dat benzine was gebruikt.
Hoewel de brand ernstig was en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zou zijn, hield de rechtbank rekening met de verstandelijke beperking en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een belast verleden en recente emotionele problemen. Daarom werd een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en kan alleen bij de burgerlijke rechter worden ingediend. De in beslag genomen aansteker werd verbeurd verklaard.