Uitspraak
1.Het procesverloop
2.Beoordeling
3.De beslissing
Arnhem-Leeuwarden
Rechtbank Noord-Nederland
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag over een minderjarige te beëindigen. De rechtbank stelde in een eerdere beschikking vast dat de minderjarige niet meer bij zijn ouders kan wonen en dat het perspectief niet bij hen ligt, maar kon op dat moment niet beoordelen of een gezagsbeëindiging noodzakelijk was vanwege onvoldoende informatie voor een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Na een aanhouding van zes maanden en het verzoek om nadere informatie van de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad, bleef de benodigde inhoudelijke onderbouwing uit. Op de zitting van 22 juni 2023 werden de standpunten van de GI, de Raad en ouders besproken. De GI gaf aan dat ouders de uithuisplaatsing niet accepteren en dat er geen hulpverlening is ingezet om hen hierbij te ondersteunen. De Raad handhaafde het verzoek tot gezagsbeëindiging vanwege het gebrek aan acceptatie en de negatieve effecten op de minderjarige.
Ouders en hun advocaat voerden aan dat zij de situatie moeilijk accepteren, maar dat beëindiging van het gezag niet noodzakelijk is. De rechtbank concludeerde dat ondanks de mogelijkheid tot beëindiging op grond van artikel 1:266 BW Pro, het verzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 8 EVRM Pro omdat onvoldoende inzicht bestaat in de gevolgen voor de minderjarige en onvoldoende maatwerk is geleverd.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak.