Eiser verzocht het college om handhavend op te treden tegen een schutting die een pad langs zijn agrarisch perceel deels verspert. Het college wees dit verzoek af omdat het pad volgens hen geen openbare weg zou zijn. Eiser maakte bezwaar en overlegde een leveringsakte uit 1924 waaruit blijkt dat het pad als openbare weg moest worden onderhouden.
De rechtbank oordeelt dat het pad wel degelijk een openbare weg is, gezien het feit dat het een doorgaande verbinding vormt tussen twee openbare wegen en toegankelijk is voor het publiek. Het college heeft onvoldoende bewijs geleverd om dit te weerleggen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het bezwaar onterecht ongegrond verklaarde en het handhavingsverzoek ten onrechte afwees.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen waarbij het uitgangspunt is dat het pad een openbare weg is. Tevens moet het college beoordelen of er sprake is van een belemmering volgens de Algemene plaatselijke Verordening. De schutting is inmiddels verwijderd na een civiel vonnis, maar het college moet de situatie beoordelen op het moment van het nieuwe besluit. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.