Uitspraak
“INBRENG
Artikel 4.
KAPITAAL.
Artikel 5.
1. Ieder van de vennoten wordt voor zijn inbreng in geld en\of goederen op zijn
€ 35.000 -
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Noord-Nederland
Eiseres en haar partner zijn per 1 november 2018 een vennootschap onder firma (vof) gestart, waarbij de onderneming van haar partner in CV-vorm werd ingebracht. De vof-akte voorzag in een 50/50 winstverdeling en een arbeidsvergoeding voor de partner van € 35.000 per jaar. Eiseres was daarnaast in 2019 en 2020 in loondienst bij een thuiszorgorganisatie. Voor deze jaren gaf zij negatieve belastbare winst uit de vof aan. De inspecteur stelde dat de winstverdeling en arbeidsvergoeding niet zakelijk waren en legde aanslagen en een navorderingsaanslag op.
De rechtbank overweegt dat zakelijkheid betekent handelen zoals onafhankelijke partijen dat zouden doen. Hoewel de partner arbeid heeft verricht, is niet aannemelijk gemaakt dat een onafhankelijke derde akkoord zou zijn gegaan met de hoogte van de arbeidsvergoeding, gezien de omzet en het resultaat van de vof. Ook is niet aannemelijk dat de 50/50 winstverdeling zakelijk is, omdat eiseres geen arbeid of andere inbreng in de vof heeft geleverd.
Verder oordeelt de rechtbank dat de inspecteur voor 2020 terecht navorderingsaanslag heeft opgelegd wegens een kenbare fout in de aanslagregeling, conform artikel 16 lid 2 onderdeel Pro c AWR. De belastingrente is eveneens correct berekend. De beroepen van eiseres worden ongegrond verklaard, waardoor de aanslagen in stand blijven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de aanslagen en navorderingsaanslag wegens niet-zakelijke winstverdeling en arbeidsvergoeding.