ECLI:NL:RBNNE:2023:4666

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 november 2023
Publicatiedatum
14 november 2023
Zaaknummer
LEE 23/4018
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet open overheid
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen openbaarmaking UBN-nummers en dieraantallen afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om informatie over UBN-nummers en dieraantallen van verzoekster over de periode 2015 tot en met februari 2023 openbaar te maken. Dit verzoek volgde op het ongegrond verklaren van haar bezwaar tegen deze openbaarmaking.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en stelde vast dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen indien onverwijlde spoed vereist is. Verzoekster stelde dat haar bedrijfsvoering acuut in gevaar zou komen door de openbaarmaking, hetgeen een spoedeisend belang zou vormen.

De RVO gaf echter aan nog niet tot openbaarmaking te zijn overgegaan en verzoekster meldde dat de gegevens mogelijk al aan derden bekend zijn gemaakt, waardoor het spoedeisend belang was komen te vervallen. Tevens bleek dat het verzoek om vergoeding van gemaakte kosten geen spoedeisend belang opleverde.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het spoedeisend belang ontbrak en verklaarde het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen openbaarmaking van gegevens is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/4018

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 november 2023 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R.J. De Nekker),
en

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, RVO

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [Woo-verzoeker] uit [woonplaats] (Woo-verzoeker)
(gemachtigde: C. van Mierlo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de ongegrond verklaring van haar bezwaar tegen het openbaar maken van informatie over verzoeksters UBN-nummers en dieraantallen over de periode van 2015 tot en met februari 2023. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Op 24 februari 2023 is bij de RVO een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (de Woo), waarbij is verzocht om openbaarmaking van informatie over UBN-nummers in de periode van 2015 tot en met 24 februari 2023 en om de dieraantallen per UBN op 2 juli 2015 van verzoekster. De RVO heeft met het het besluit van 23 mei 2023 besloten om over te gaan tot openbaarmaking van deze gegevens. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2023 op het bezwaar van verzoekster is RVO bij het besluit van 23 mei 2023 gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Verzoekster heeft bij het indienen van haar voorlopige voorziening aangegeven dat de RVO twee weken na het besluit van 3 oktober 2023 zal over gaan tot openbaar making van de gegevens. Hiermee komt haar gehele bedrijfsvoering in acuut gevaar en dus is er, aldus verzoekster, sprake van een spoedeisend belang.
3.1.
Bij brief van 25 oktober 2023 heeft de RVO aangegeven dat zij nog niet zijn overgegaan tot openbaarmaking van de betreffende documenten en dat hiermee zal worden gewacht tot de voorzieningenrechter heeft beslist op het verzoek.
3.2.
Bij e-mailbericht van 30 oktober 2023 heeft verzoekster aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat de wederpartij het schema al dan niet – gedeeltelijk – geanonimiseerd heeft verzonden aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven en dat de gemachtigde van de RVO heeft gecommuniceerd met de indiener van het Woo-verzoek. Volgens verzoekster zijn de stukken dus bekend gemaakt aan de indiener van het Woo-verzoek, dan wel zijn gemachtigde, en maken deze stukken onderdeel uit van de procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
3.3.
Naar aanleiding van vragen van de voorzieningenrechter heeft verzoekster bij e-mailbericht van 30 oktober 2023 aangegeven dat het procesbelang er allereerst nog in is gelegen dat de waarheid boven tafel moet komen. Daarnaast heeft verzoekster aangegeven dat zij een vergoeding wil van alle gemaakte kosten.
4. Verzoekster heeft met het indienen van de voorlopige voorziening getracht te voorkomen dat de gegevens over UBN-nummers in de periode van 2015 tot en met 24 februari 2023 en om de dieraantallen per UBN op 2 juli 2015 openbaar worden gemaakt gedurende de beroepsprocedure. Nu verzoekster heeft aangegeven dat deze gegevens inmiddels openbaar zijn gemaakt is het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening komen te vervallen. Ook het verzoek van verzoekster om vergoeding van alle gemaakte kosten levert geen spoedeisend belang op. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat voor wat betreft dit verzoek niet gebleken is dat de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is gelet op dat wat hiervoor is overwogen kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
6 november 2023.
griffier
voorzieningenrechter
(de voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.