ECLI:NL:RBNNE:2023:3566

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
25 augustus 2023
Zaaknummer
LEE 23/3477
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:77 AwbArt. 8:11 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake naleving evenementenvergunning Noorderzon Festival

De burgemeester van Groningen verleende op 14 juli 2023 een evenementenvergunning aan de vergunninghoudster voor het Noorderzon Festival. Verzoekster diende meerdere verzoeken om voorlopige voorzieningen in tegen deze vergunning, die eerder door de voorzieningenrechter werden afgewezen.

In het derde verzoek stelde verzoekster dat de vergunninghoudster de voorwaarden van de vergunning niet naleeft, met name dat de dansvloer niet op de vergunde plaats ligt. Medewerkers van verweerder en de vergunninghoudster constateerden dat de vlonder anders was geplaatst dan vergund, waarna verweerder een onderzoek startte naar een mogelijk handhavingstraject.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het geschil in de hoofdzaak gaat over de rechtmatigheid van de vergunningverlening, waarvoor formele connexiteit aanwezig is. Echter betreft de naleving van de vergunning een ander bestuursrechtelijk geschil, waarvoor geen formele connexiteit bestaat zolang geen handhavingsbesluit is genomen. Het derde verzoek bevatte bovendien rechtsvragen die reeds eerder waren beoordeeld. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan formele connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/3477

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 augustus 2023 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit Groningen, verzoekster

en

de burgemeester van Groningen, verweerder

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de stichting
Stichting Noorderzon Groningen, statutair gevestigd te Groningen, de vergunninghoudster.

Inleiding

1. Verweerder heeft bij besluit gedateerd 14 juli 2023 een evenementenvergunning verleend aan de vergunninghoudster ten behoeve van het Noorderzon Festival of Performing Arts & Society (Noorderzon).
2. Verzoekster heeft bij brief gedateerd 2 augustus 2023 een verzoekschrift ingediend dat – onder meer – betrekking heeft op genoemde evenementenvergunning. Dat verzoek is ingeschreven onder zaaknummer LEE 23/3182. Bij uitspraak gedateerd 15 augustus 2023 is dat verzoek afgewezen. Verzoekster heeft bij brief gedateerd 17 augustus 2023 een tweede verzoekschrift ingediend dat – onder meer – betrekking heeft op dezelfde evenementenvergunning. Dat verzoek is ingeschreven onder zaaknummer LEE 23/3431. Bij uitspraak gedateerd 23 augustus 2023 is dat verzoek afgewezen.
3. Verzoekster heeft bij brief gedateerd 23 augustus 2023 een derde verzoekschrift ingediend dat betrekking heeft op dezelfde evenementenvergunning. Verweerder heeft schriftelijk gereageerd. De vergunninghoudster is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Een reactie is uitgebleven. Verzoekster heeft het verzoek aangevuld bij brief gedateerd 25 augustus 2023. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het derde verzoekschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Verzoekster stelt dat de voorwaarden waaronder de evenementenvergunning is verleend niet worden nageleefd door de vergunninghoudster. De dansvloer van de tent Apollo zou volgens haar niet onder de beuk behoren te liggen, maar ernaast.
4.1.
Verweerders medewerkers zijn daarop met medewerkers van de organisatie van vergunninghoudster ter plaatse geweest en hebben geconstateerd dat de vlonder inderdaad op een andere manier is geplaatst dan is vergund. Verweerder heeft in onderzoek of, en zo ja op welke wijze, een handhavingstraject dient te worden opgestart.
4.2.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4.2.1.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat, indien […] voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt […] de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd […] kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening [kan] treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.2.
Formele connexiteit is het vereiste van samenhang tussen het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen enerzijds en het geschil in de hoofdzaak anderzijds. De voorzieningenrechter is gehouden ambtshalve na te gaan of dergelijke connexiteit aanwezig is. Het geschil in de hoofdzaak gaat over de rechtmatigheid van de verleende evenementenvergunning, in zoverre is voldaan aan het vereiste van formele connexiteit.
4.2.3.
Het antwoord op de vraag of de vergunninghoudster de voorschriften van de verleende evenementenvergunning daadwerkelijk naleeft is in bestuursrechtelijke zin een ánder geschil dan het geschil in de hoofdzaak.
4.2.4.
Weliswaar kán de plaats van de vlonder onderwerp worden van een eventueel handhavingsbesluit, maar niet is gebleken dat dat handhavingsbesluit reeds is genomen door verweerder. Daarom is in zoverre niet voldaan aan het vereiste van formele connexiteit.
5. Voor het overige gaat het derde verzoek over rechtsvragen die eerder door de voorzieningenrechter zijn beoordeeld in het kader van het eerste en/ of het tweede verzoek om een voorlopige voorziening. Het derde verzoek vormt geen aanleiding daarover anders te oordelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het derde verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2023.
griffier
voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen (artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:77, derde lid en artikel 8:11, tweede lid, van de Awb).
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.