Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primaire feit tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs op grond van de aangifte van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), de getuigenverklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] alsmede de tussen verdachte en de vader van [slachtoffer] uitgewisselde e-mailberichten.
Standpunt van verdachte
Verdachte heeft aangegeven dat hij niets weet van de door aangeefster omschreven ontuchtige handelingen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank acht het primaire en subsidiaire feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
[slachtoffer] heeft verklaard dat haar oudoom, verdachte, tijdens een familieweekend naast haar is komen zitten, zich tegen haar heeft aangeklampt en aangedrukt waardoor zij niet meer kon bewegen, en vervolgens boven haar kleding haar borsten heeft aangeraakt en gedurende vijf minuten heeft gestreeld. Verdachte heeft verklaard niets van een dergelijk incident te weten.
Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken waarbij het veelal gaat om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de belastende verklaring van aangeefster [slachtoffer] staat tegenover de verklaring van verdachte dat de door aangeefster beschreven situatie hem niets zegt. Op grond van slechts één getuigenverklaring mag de rechtbank echter niet tot een bewezenverklaring komen (artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). Vereist is dan ook dat de verklaring van de aangever voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, waarbij geldt dat de verklaringen van getuigen over wat zij van de aangever hebben gehoord onvoldoende zijn om als steunbewijs te kunnen gelden. Immers zijn verklaringen van horen zeggen terug te herleiden tot de verklaring van de aangever, terwijl voor die verklaring nu juist steun gezocht dient te worden. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] , die op zichzelf betrouwbaar en daarmee bruikbaar als bewijsmiddel wordt geacht, voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Opgemerkt wordt dat sprake is van een summier dossier. Naast de aangifte bevinden zich in het dossier de verklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] . Ook zijn er in het dossier emailberichten opgenomen die uitgewisseld zijn tussen verdachte en de vader van [slachtoffer] .
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] onvoldoende steun bieden aan de aangifte van [slachtoffer] , omdat de ouders slechts hebben verklaard over wat zij van [slachtoffer] hebben gehoord. Zij hebben geen eigen waarnemingen gedaan. De inhoud van de door verdachte geschreven e-mails levert evenmin voldoende steunbewijs op, nu verdachte in de mails volhoudt van niets te weten. Gelet op het feit dat er geen ander concreet en noodzakelijk steunbewijs voorhanden is, komt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte moet worden vrijgesproken.