Uitspraak
1.Het procesverloop
2.De feiten (in beide zaken)
3.De verzoeken
4.De gesprekken met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
5.De beoordeling
- de zorgen over en het gebrek aan zicht op de sociaal-emotionele, cognitieve en identiteitsontwikkeling van de kinderen;
- het perspectief van de kinderen is nog onduidelijk;
- de communicatie tussen de ouders en hun verschil in visie over (onder meer) de opvoeding van de kinderen en de vorm van omgang/co-ouderschap;
- zorgen over het niet onderkennen door de moeder van de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen;
- zorgen over moeder haar ambivalente houding ten aanzien van coöperatief samenwerken met de hulpverlening in het belang van de kinderen;
- zorgen over de kinderen hun loyaliteit naar ouders en netwerk.
De rechtbank overweegt dat uit rechtsoverweging 5.2.1. volgt dat ook voor [de minderjarige 2] een thuisplaatsing bij de moeder op dit moment niet aan de orde kan zijn. [de minderjarige 2] heeft vanaf november 2022 al bij de vader gewoond, hetgeen lange tijd goed lijkt te zijn gegaan, en beide ouders hebben – onder meer bij het hof – laten weten dat zij het belangrijk vinden dat alle drie de kinderen bij elkaar blijven. De rechtbank spreekt dan ook de hoop uit dat ook de moeder weer achter de plaatsing van [de minderjarige 2] bij de vader kan staan hetgeen [de minderjarige 2] zou kunnen helpen om weer bij de vader (én zijn broer en zus) te verblijven.
a. alle verrichtingen – het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen –rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen;
hoewel alle drie de kinderen inmiddels naar school gaan, heeft er nog geen diagnostiek plaatsgevonden terwijl daarvoor wel aanleiding wordt gezien”.
De rechtbank acht het wel in het belang van [de minderjarige 2] dat er diagnostisch onderzoek door [Y] plaatsvindt, zodat duidelijk wordt wat er bij hem speelt en wat hij nodig heeft. De moeder stelt haar vraagtekens bij de noodzaak van diagnostiek en onthoudt vooralsnog haar onvoorwaardelijke toestemming. Nog afgezien van door de GI genoemde factoren die hiervoor onder 3.2.4. zijn genoemd, is met de vermoedens van psychische of psychiatrische problematiek en zorgen over zijn gedragsproblemen de noodzaak van een diagnostisch onderzoek bij [de minderjarige 2] voldoende onderbouwd. Dit neemt niet weg dat de moeder - evenals de vader - zoveel mogelijk betrokken zullen worden bij het opstellen van het onderzoeksplan.
1:265e BW in de weg staat. De rechtbank overweegt in dat verband dat het - gelet op de stellige andersluidende visie van de moeder - onwenselijk is als de GI voor elk onderdeel van de beoogde diagnostiek terug moet naar de rechtbank voor vervangende toestemming, terwijl de rechtbank de noodzaak van diagnostiek heeft vastgesteld.
6.De beslissing
Arnhem-Leeuwarden