ECLI:NL:RBNNE:2023:2200
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling tijdens jeugddetentie
Veroordeelde is op 10 februari 2023 overgeleverd naar Nederland en bevindt zich sindsdien in detentie voor het ondergaan van een opgelegde jeugddetentie van 120 dagen. Deze straf was oorspronkelijk voorwaardelijk opgelegd op 30 november 2017, waarna de tenuitvoerlegging werd gelast op 2 mei 2018 na overtreding van voorwaarden.
Veroordeelde heeft via zijn raadsman een verzoek ingediend op grond van artikel 6:6:28 van Pro het Wetboek van Strafvordering om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld tijdens het ondergaan van de jeugddetentie. Tijdens de zitting op 5 april 2023 werd het verzoek besproken, waarbij ook onduidelijkheid bestond over de toepasselijkheid van artikel 6:6:29 Sv Pro, dat ziet op vervanging van de strafsoort.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek ziet op artikel 6:6:28 Sv Pro en heeft de argumenten van veroordeelde, waaronder dat 57 dagen detentie in verband met overlevering uit Denemarken ten onrechte niet in mindering zijn gebracht op de jeugddetentie, beoordeeld. Het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE) gaf aan dat deze dagen terecht zijn toegerekend aan een andere strafzaak.
Gezien het feit dat de jeugddetentie oorspronkelijk voorwaardelijk was opgelegd en pas na overtreding ten uitvoer is gelegd, ziet de rechtbank geen reden om veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling tijdens de jeugddetentie wordt afgewezen.