ECLI:NL:RBNNE:2023:1849

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 mei 2023
Publicatiedatum
9 mei 2023
Zaaknummer
LEE 22/2497
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens verjaring invordering dwangsom

Verzoekster, handelend onder een handelsnaam, diende beroep in tegen de invordering van een dwangsom van €17.500 wegens het inzamelen van schroot op een perceel zonder naleving van een last onder dwangsom. Het bezwaar werd ongegrond verklaard door verweerder. Later gaf verweerder aan dat de bevoegdheid tot invordering was verjaard, waarna verzoekster het beroep introk met een verzoek tot proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan op het verzoek om proceskostenveroordeling op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Gezien het feit dat verweerder aan het beroep tegemoet is gekomen door af te zien van invordering, acht de rechtbank het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van €837, te betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van €184 te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E. Hardenberg en griffier S.G. Steenbergen op 9 mei 2023.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van €837 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens verjaring van de invorderingsbevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/2497

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], handelend onder de naam [verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. A.J. Roos),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf, verweerder
(gemachtigde: J. van Weperen).

Procesverloop

1. Op 1 november 2021 heeft verweerder besloten tot invordering van een dwangsom van € 17.500,- omdat eiseres schroot inzamelde op het perceel aan de [adres] en daarmee niet voldaan werd aan de op 24 juni 2021 opgelegde last onder dwangsom.
1.1.
In het besluit van 23 mei 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
1.2.
Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3.
Op 13 april 2023 heeft verweerder meegedeeld dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom is verjaard en dat verweerder daarom afziet van invordering.
1.4.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.5.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
1.6.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij bereid is de betaalde griffiekosten en de proceskosten te vergoeden.

Overwegingen

2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3.1.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
3.2.
Verzoekster heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
3.3.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
3.4.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Steenbergen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.