Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2022:5569

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
15 juli 2024
Zaaknummer
9950604 \ CV EXPL 22-2427
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens verkeerde partij in incassozaken huishoudelijke hulp

Eiser vorderde betaling van €287,30 voor gewerkte uren en voorgeschoten boodschappen aan de tante van gedaagde, die was overleden. Gedaagde werd aangesproken als erfgenaam, maar uit het testament bleek dat hij alleen executeur was en geen erfgenaam.

De kantonrechter oordeelde dat een procedure moet leiden tot een vonnis dat tegen de juiste persoon kan worden uitgevoerd. Omdat eiser gedaagde niet in zijn hoedanigheid van executeur had gedagvaard, maar als erfgenaam, was de vordering niet ontvankelijk.

Eiser had geen verzoek gedaan om de dagvaarding te herstellen na overlegging van het testament. De vordering kon daarom niet op het vermogen van gedaagde worden verhaald. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling werd afgewezen omdat de gedaagde niet in de juiste hoedanigheid was gedagvaard.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 9950604 \ CV EXPL 22-2427
Vonnis van 20 december 2022
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: M. Hennen.
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederende in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juni 2022;
- de conclusie van antwoord van 28 juni 2022;
- de conclusie van repliek van 23 augustus 2022;
- de conclusie van dupliek van 20 september 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] (dan wel zijn partner) heeft gewerkt als huishoud(st)er voor de tante van [gedaagde] , mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). De werkzaamheden bestonden onder meer uit het schoonmaken van de woning van [naam] en het doen van boodschappen voor [naam] . De vergoeding voor deze werkzaamheden werd contant door [naam] aan [eiser] betaald. Ook eventuele door [eiser] voorgeschoten bedragen werden contant door [naam] terugbetaald.
2.2.
[naam] is overleden op [datum]. In haar testament van 28 november 2012 zijn vier goede doelen tot erfgenaam benoemd. Verder is [gedaagde] samen met en de heer [naam 2] uit [woonplaats] benoemd tot executeur.
2.3.
[gedaagde] heeft op19 december 2021 [eiser] benaderd om het overlijden van [naam] mede te delen en heeft daarbij aangegeven dat [eiser] geen werkzaamheden meer hoefde uit te voeren. [eiser] heeft telefonisch aangegeven dat hij nog een vordering op [naam] heeft openstaan voor gewerkte uren en voorgeschoten boodschappen.
2.4.
Bij brief van [datum] heeft [eiser] [gedaagde] aangeschreven en gesommeerd de openstaande vordering te betalen. Ook zijn in die brief door [eiser] de buitengerechtelijke incassokosten aan [gedaagde] aangezegd.
2.5.
[gedaagde] heeft op 28 januari 2022 geantwoord dat het gehele vermogen is geschonken aan vier goede doelen en dat het niet zo kan zijn dat [eiser] een vordering bij hem indient omdat hij een neef van [naam] is.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 287,30 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2022 tot de dag der algehele voldoening en veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 52,15. Hij stelt hiervoor dat hij nog geld te goed heeft voor gewerkte uren en voorgeschoten boodschappen voor [naam] en dat hij erop mocht vertrouwen dat zij dit bedrag zou terugbetalen. [eiser] stelt dat hij ervan op de hoogte is dat [gedaagde] erfgenaam is en dat hij daarom gehouden is om de hoofdsom te betalen.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Hij voert
- samengevat - aan dat hij ten onrechte is gedagvaard omdat hij geen contractspartij en geen erfgenaam van [naam] is maar alleen executeur. Inhoudelijk voert [gedaagde] aan dat hij sterke aanwijzingen heeft dat [naam] wel degelijk een bedrag van € 278,25 al heeft terugbetaald aan [eiser] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de processtukken wordt niet duidelijk of [eiser] of zijn partner als huishoud(st)er voor [naam] heeft gewerkt. Nu [gedaagde] daar geen punt van maakt, gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser] bevoegd is de vordering in te dienen.
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat in een procedure uitgangspunt is dat geen vonnis moet worden gewezen over een rechtsverhouding die tussen partijen niet bestaat en dat een procedure moet kunnen leiden tot een vonnis dat ten uitvoer gelegd kan worden tegen de juiste persoon. Er dient uiteindelijk beslist te kunnen worden ten opzichte van de werkelijk belanghebbende partijen.
4.3.
Aan die eis is in dit geval niet voldaan. [eiser] heeft [gedaagde] aangesproken als erfgenaam van [naam] en hem in die hoedanigheid als persoon gedagvaard. Uit het door [gedaagde] bij conclusie van antwoord overgelegde testament - dat [eiser] verder niet bestrijdt - blijkt echter dat [gedaagde] geen erfgenaam is en dus reeds om die reden niet in persoon aansprakelijk kan worden gesteld voor schulden van [naam] .
4.4.
Uit het testament blijkt verder dat [gedaagde] executeur van de nalatenschap is. Dat betekent weliswaar dat hij bevoegd is om namens de erfgenamen in rechte op te treden, maar [eiser] heeft in zijn dagvaarding niet kenbaar gemaakt dat hij heeft bedoeld [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur aan te spreken. Hij heeft na overlegging van dat testament ook geen aanleiding gezien om te verzoeken om de dagvaarding te mogen herstellen maar - zonder daaraan verder woorden te wijden - volhard in zijn stelling dat [gedaagde] hem moet betalen. Dat is echter niet het geval; de vordering die [eiser] zegt te hebben op [naam] , kan niet op (het vermogen van) [gedaagde] worden verhaald.
4.5.
Het vorenstaande leidt dan ook tot afwijzing van de vordering, omdat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard.
4.6.
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 25,00 aan reis- en verletkosten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 25,00;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2022.
56118/vj