Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2 en 3 primair in de zaak met parketnummer 18/238687-22, van feit 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18/220345-22, en van het feit in de zaak met parketnummer 18/210177-22 wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest. De officier van justitie is van oordeel dat een zorgmachtiging onvoldoende waarborgen biedt om recidive te beperken, en daarom oplegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair aangevoerd dat de vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel dient te worden afgewezen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de ISD-maatregel een ultimum remedium is, en nog niet alle alternatieve opties zijn onderzocht en beoordeeld. De raadsman heeft als alternatieve optie aangedragen dat verdachte wordt opgenomen in het kader van een zorgmachtiging.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd, voor het geval de rechtbank toch tot toewijzing van de vordering komt, de ISD-maatregel in duur te beperken tot een jaar.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen, een lokaalvredebreuk en een huisvredebreuk. Verdachte staat sinds 1 november 2021 op de veelplegerslijst van het Openbaar Ministerie Friesland. Verdachte beschikt immers over een uitgebreide justitiële documentatie, en blijft veelvuldig in aanraking komen met politie en justitie. Verdachte heeft zich blijkens zijn justitiële documentatie de afgelopen jaren met name schuldig gemaakt aan strafbare feiten die veel overlast voor de samenleving veroorzaken. Ook met onderhavige feiten heeft verdachte opnieuw overlast voor de maatschappij veroorzaakt.
In een eerder uitgebracht reclasseringsrapport wordt beschreven dat is toegewerkt naar oplegging van een ISD-maatregel. In het meest recente advies van de reclassering wordt gerapporteerd over de wenselijkheid van de ISD-maatregel op dit moment. Uit het reclasseringsrapport d.d. 7 december 2022 komt naar voren dat sprake is van een delictpatroon aangaande verwervingscriminaliteit. De reclassering ziet problemen op alle leefgebieden en constateert dat sprake is van een delictrelatie op de gebieden van middelengebruik, houding en psychosociaal functioneren. Voorts constateert de reclassering dat verdachte volhardt in zijn niet responsieve houding en niet openstaat voor reclasseringsinterventies en reclasseringstoezicht gericht op het verminderen van de risico’s.
Interventies vanuit een ambulant kader zijn derhalve volgens de reclassering een gepasseerd station. De reclassering acht een klinisch behandeltraject noodzakelijk om gedragsverandering en het verminderen van het hoge recidiverisico te realiseren. Een dergelijke klinische behandeling is echter niet van de grond gekomen, omdat verdachte zijn medewerking daaraan weigert, hij onvoldoende
probleem- en zelfinzicht heeft, hij probleemoplossende vaardigheden ontbeert, hij niet
afsprakentrouw is en zich niet begeleidbaar opstelt. De reclassering komt daarom tot het advies om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren op te leggen.
Om recidive in de toekomst te voorkomen en ter bescherming van de maatschappij ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan om aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Om de hiervoor beschreven (complexe) problematiek aan te pakken en recidive te beëindigen, heeft verdachte langdurige en intensieve behandeling en begeleiding nodig. De door de verdediging aangevoerde mogelijkheid tot behandeling in het kader van een zorgmachtiging biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende waarborgen dat de maatschappij wordt beschermd tegen het door verdachte opnieuw plegen van strafbare feiten. De zorgmachtiging eindigt namelijk door tijdsverloop of indien de psychische gesteldheid van verdachte dit toelaat, maar daarmee is zeker niet gezegd dat het recidivegevaar dan al voldoende is ingeperkt.
Conform het advies van de reclassering en de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank daarom aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest. Aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan en de rechtbank vindt de oplegging daarvan ook noodzakelijk. De door verdachte begane feiten betreffen voor een deel misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld, de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen, er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan, en de veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel. Gelet op een en ander acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte.
Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om de duur van de ISD-maatregel te beperken. Verdachte heeft problemen op meerdere leefgebieden, zoals huisvesting, dagbesteding, financiën en middelengebruik. Gelet op deze multiproblematiek en de houding van verdachte ten opzichte van zijn problematiek, zal naar verwachting met de daadwerkelijke aanpak van deze problematiek de nodige tijd zijn gemoeid. Daarbij merkt de rechtbank op dat de rechter ingevolge artikel 38n lid 3 Sr ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de verdachte of diens raadsman, na het opleggen van de maatregel, kan beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.