Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2022:4754

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 december 2022
Publicatiedatum
15 december 2022
Zaaknummer
C/19/137135 / FA RK 21-1825
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 1:205 lid 2 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vernietiging erkenning wegens onvoldoende bewijs schijnerkenning

De rechtbank Noord-Nederland behandelde een verzoek van de officier van justitie tot vernietiging van de erkenning van een minderjarige door de man, wegens vermeende schijnerkenning en strijd met de Nederlandse openbare orde. De man betwistte het verzoek en stelde dat hij de biologische vader is en een emotionele en juridische band met het kind heeft.

De rechtbank beval een DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen, maar de man weigerde medewerking zonder nadere toelichting. Ondanks twijfels over het biologische vaderschap concludeerde de rechtbank dat ook indien de man niet de biologische vader zou zijn, onvoldoende is aangetoond dat de erkenning is gebruikt voor een ander doel dan het vaststellen van het juridisch vaderschap.

De officier van justitie stelde dat de erkenning bedoeld zou zijn om verblijfstitel voor de vrouw te verkrijgen, maar dit werd niet gemotiveerd onderbouwd en door de man tegengesproken met verwijzing naar de verblijfstatus van de vrouw in Italië. De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie onvoldoende bewijs leverde voor schijnerkenning en wees het verzoek af.

Tot slot werd de bijzondere curator ontslagen en werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van de erkenning wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schijnerkenning.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rekestnummer: C/19/137135 / FA RK 21-1825
beschikking d.d. 14 december 2022
inzake
de OFFICIER VAN JUSTITIE,
kantoorhoudende te Groningen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam 1], wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. V.S. Nolet, die kantoor houdt te Den-Haag,

[naam 2], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
waarschijnlijk thans verblijvende te Almere,
hierna te noemen de vrouw,

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Emmen,
hierna te noemen de ABS,

mr. H.Q.N. Renon, bijzondere curator.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van deze procedure volgt uit:
  • de (tussen)beschikking van 28 april 2022;
  • de op 3 augustus 2022 ingekomen akte houdende nadere informatie van de zijde van de man;
  • de op 21 september 2022 inkomen brief van de bijzondere curator;
  • de op 21 september 2022 ingekomen brief van de officier van justitie;
  • de op 12 oktober 2022 ingekomen brief met bijlage van de ABS.
1.2.
Vervolgens is ambtshalve bepaald dat een beschikking zal worden gegeven, waarvan de uitspraak nader is vastgesteld op vandaag.

2.Rechtsoverwegingen

De beschikking van 28 april 2022
2.1.
De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 28 april 2022 In deze beschikking heeft de rechtbank een verwantschapsonderzoek naar het DNA in het bloed of het wangslijm van de man ter beantwoording van de vraag of hij de verwekker is of zou kunnen zijn van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020.
De rechtbank heeft voorts nadere informatie verzocht over de verblijfsstatus van de vrouw in Italië én de asielprocedure in Nederland.
Het standpunt van de man
2.2.
In de akte van 3 augustus 2022 stelt de man dat hij niet bereid is zijn medewerking te verlenen aan het verwantschapsonderzoek. De man benadrukt nogmaals dat hij de biologische vader is van [minderjarige] . De man heeft ook de geboorte van [minderjarige] actief de vaderrol ten opzichte van haar op zich genomen. Inmiddels is er ook een emotionele band tussen hen ontstaan. Het is van belang dat naast deze emotionele band ook de juridische band blijft bestaan.
De man betwist met klem dat er sprake is van een schijnerkenning. Voor een rechtmatig verblijf van de vrouw in Nederland is de vrouw immers nimmer afhankelijk geweest van de erkenning van [minderjarige] door de man. De vrouw heeft in Italië de status van "EU-langdurig ingezetene". Op grond van deze verblijfstatus dient de vrouw als zij langer dan drie maanden aaneengesloten in Nederland wil verblijven, daartoe een aanvraag in te dienen. Dit houdt echter geen verband met de erkenning van [minderjarige] door de man of de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige] .
Dat er sprake is van een schijnerkenning wordt door de officier van justitie ook op geen enkele manier onderbouwd. Dat de man en mevrouw [naam 2] geen relatie met elkaar hebben, er geen intentie bestaat om met elkaar in gezinsverband te gaan leven en dat ook niet is gebleken van een zorgplicht van de man jegens [minderjarige] snijdt geen hout. Deze eisen worden door de wet niet aan een erkenning gesteld en zijn voor de erkenning van [minderjarige] door de man dan ook niet relevant.
De man voert tenslotte aan dat de officier van justitie en de ABS ten onrechte de belangen van [minderjarige] niet meewegen in hun standpunt. De gevolgen voor [minderjarige] van een vernietiging van de erkenning zullen erg groot zijn. Zij zal haar Nederlandse identiteit verliezen en onduidelijk is of zij de Nigeriaanse nationaliteit (terug) krijgt. De kans dat zij stateloos wordt is zeer groot.
Het standpunt van de officier van justitie
2.3.
De officier van justitie voert aan dat de datum van de conceptie en de informatie betreffende de geboortedatum al gerede twijfel gaven over het gestelde biologische vaderschap van de man. Nu de man ook zijn medewerking aan het DNA-onderzoek heeft geweigerd, is het voldoende aannemelijk dat hij niet de biologische vader van [minderjarige] is.
Uit de door de man ingediende stukken blijkt dat de vrouw geen permanent verblijfsrecht heeft. Tussen de man en mevrouw [naam 2] is er verder geen relatie en deze wordt door hen ook niet geambieerd. Ook blijkt niet dat de man in het leven van [minderjarige] een actieve vaderrol vervult zodat er geen sprake is van familylife als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De officier van justitie handhaaft het standpunt dat op grond van de gegeven omstandigheden geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat er sprake is van een erkenning die strijdig is met de Nederlandse openbare orde.
Beoordeling
2.4.
De rechtbank overweegt allereerst dat de man bevoegd was [minderjarige] te erkennen en dat zich geen beletsel voordoet als bedoeld in artikel 1:204 BW Pro. Daarover bestaat ook geen verschil van mening. Voor het mogen erkennen van [minderjarige] is het niet van belang of de man de biologische vader is. Het zijn van de biologische vader is namelijk geen eis voor een erkenning. Ook het hebben van familylife is geen vereiste voor erkenning. Echter, zoals in de beschikking van 28 april 2022 is overwogen bepaalt artikel 1:205 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) dat de officier van justitie een vernietiging van de erkenning kan verzoeken wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, als de man niet de biologische vader is van de minderjarige. Voor de beoordeling van het verzoek van de officier van justitie kan de vraag of de man de biologische vader is, dus wel van belang zijn. Als de man namelijk de biologische vader is van [minderjarige] , komt de rechtbank aan de vraag of er sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde niet meer toe.
2.5.
Teneinde aan alle onduidelijkheid over het vaderschap van de man een einde te maken heeft de rechtbank bij beschikking van 28 april 2022 een DNA-onderzoek bevolen. De man heeft zonder nadere toelichting geweigerd om medewerking aan het DNA-onderzoek te verlenen en daardoor duidelijkheid te scheppen omtrent het biologisch vaderschap van [minderjarige] . Deze ongemotiveerde weigering van de man om mee te werken aan het DNA-onderzoek, in samenhang met het tijdsverloop tussen het vertrek van de man naar Nederland en de geboorte van [minderjarige] , doet de rechtbank twijfelen aan de stelling van de man dat hij de biologische vader van [minderjarige] is. De rechtbank is echter van oordeel dat ook als de man niet de biologische vader is van [minderjarige] het verzoek van de officier van justitie dient te worden afgewezen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
2.6.
In het geval de man niet de biologische vader is van [minderjarige] dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de man en de vrouw de erkenning door de man van [minderjarige] hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de erkenning bestemd is, namelijk de vaststelling van het juridisch vaderschap. Een dergelijke erkenning kan als "schijnerkenning" wegens strijd met de Nederlandse openbare orde worden vernietigd.
2.7.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in deze zaak sprake is van een schijnerkenning zodat deze moet worden vernietigd. De officier van justitie heeft daarvoor aangevoerd dat gebleken is dat de vrouw geen permanent verblijfsrecht heeft terwijl tegelijkertijd niet blijkt van het invullen van een vaderrol of het hebben van familylife met [minderjarige] . Hoewel dit niet expliciet door de officier van justitie is gesteld lijkt hij in de stukken hiermee te suggereren dat de erkenning enkel is bedoeld om voor de vrouw een verblijfstitel te verkrijgen.
2.8.
De man heeft dit standpunt gemotiveerd betwist, onder andere stellende dat de vrouw voor een rechtmatig verblijf in Nederland niet afhankelijk is van de door de erkenning verkregen Nederlandse nationaliteit van [minderjarige] . De vrouw beschikt immers over een verblijfstatus in Italië als “EU-langdurig ingezetene”. Onder verwijzing naar het Chaves-Vilchez-arrest stelt de vrouw dat zij, ook als [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit behoudt, niet automatisch in Nederland mag blijven nu zij het hiervoor genoemde verblijfsrecht heeft in Italië. De erkenning heeft dus geen invloed op het verblijfsrecht van de vrouw in Nederland. Dit is voor partijen dan ook geen argument voor de erkenning geweest.
2.9.
Gelet op dit door de man gevoerde verweer, lag het op de weg van de officier van justitie om op dit standpunt gemotiveerd in te gaan. Dit heeft de officier van justitie niet alleen nagelaten, de stelling is door de officier van justitie ook niet betwist. De rechtbank zal dan ook van de juistheid van deze stelling uitgaan.
2.10.
Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de officier van justitie onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een schijnerkenning zodat hierin geen grond kan worden gevonden voor vernietiging van de erkenning wegens strijd met de Nederlandse openbare orde. De enkele stelling dat niet blijkt van het invullen van de vaderrol of van familylife met [minderjarige] is, wat daar verder ook van zij, hiervoor niet voldoende.
2.11.
Op grond van het hiervoor overwogene dient het verzoek van de officier van justitie dan ook te worden afgewezen.
2.12.
Tot slot constateert de rechter dat een einde is gekomen aan de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal haar daarom als bijzonder curator in deze zaak ontslaan.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek af;
3.2.
ontslaat de bijzondere curator.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Laman, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden
fn: mmv/615