ECLI:NL:RBNNE:2022:451

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2022
Publicatiedatum
22 februari 2022
Zaaknummer
18/139282-21 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wegens overtreding Opiumwet

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 februari 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld wegens meerdere overtredingen van de Opiumwet. De officier van justitie had een vordering ingediend tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, begroot op €4.889,90, gebaseerd op verklaringen van afnemers en een rapport van de politie.

Tijdens de zitting op 27 januari 2022 verscheen de veroordeelde met zijn raadsman. De verdediging betwistte de omvang van het voordeel en stelde dat de periode korter was dan door het OM gesteld, maar erkende bereidheid tot terugbetaling. De rechtbank oordeelde echter dat de gehele ten laste gelegde periode bewezen was en baseerde de berekening op het rapport dat de totale inkomsten minus de inkoopkosten berekende.

De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €4.889,90 en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 97 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, en is een afzonderlijke rechterlijke beslissing op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €4.889,90 aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie
Leeuwarden
parketnummer 18/139282-21
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 10 februari 2022 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], wonende te [straatnaam], [woonplaats], hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 28 december 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 4.889,90 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/139282-21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 27 januari 2022. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. J.T.D. Stoffels.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeelt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op € 4.889,90.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de ontnemingsvordering is berekend op basis van afnemersverklaringen en periodes. De raadsman is van mening dat er sprake is van een kortere periode, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager is. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat veroordeelde bereid is om het voordeel terug te betalen en zich hier verder niet tegen zal verzetten

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
  • de in het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 10 februari 2022 in deonderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;
  • het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 1 juli 2021, pagina 295 en verdervan het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021137866 d.d.
4 augustus 2021, en de daarin genoemde verklaringen van afnemers, welke zich eveneens in dat dossier bevinden.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 10 februari 2022 in de zaak met parketnummer 18/139282-21 veroordeeld ter zake onder meer opzettelijk handelen in strijd het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Anders dan de raadsman heeft betoogd, heeft de rechtbank de gehele ten laste gelegde periode bewezen verklaard.
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze berekening is gebaseerd op de gehele bewezenverklaarde periode.
Dit levert de volgende berekening op:
Totale inkomsten verklaringen afnemers: € 11.510,00
Totale kosten inkoop: - € 6.620,10
--------------
€ 4.489,90
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 4.889,90 voordeel heeft genoten en zal de betalingsverplichting eveneens voor dat bedrag aan hem opleggen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 4.889,90.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 4.889,90 (zegge: vierduizend achthonderdnegenentachtig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 97 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. M.E. Joha, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 februari 2022.