ECLI:NL:RBNNE:2022:4443
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs hennepteelt
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, begroot op €128.116,10, gebaseerd op vermeende langdurige hennepteelt. Veroordeelde werd eerder veroordeeld voor het bezit van 108 hennepplanten in november 2018, maar niet voor het telen van hennep over een langere periode.
Tijdens de zittingen voerde de verdediging aan dat het vermeende hoge stroomverbruik niet kan worden toegeschreven aan hennepteelt, maar aan bedrijfsactiviteiten van veroordeelde. Daarnaast was er een getuigenverklaring die stelde dat de kweekruimte in de zeecontainer niet in gebruik was en dat hennep van anderen werd geknipt.
De rechtbank oordeelde dat de bewijsmiddelen onvoldoende waren om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat veroordeelde gedurende langere tijd hennep heeft geteeld en daaruit voordeel heeft genoten. Het fluctuerende stroomverbruik en de getuigenverklaring vormden contra-indicaties. Daarom werd de vordering tot ontneming afgewezen.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent de bewijsstandaard in ontnemingszaken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van langdurige hennepteelt.