Uitspraak
[veroordeelde] ,
Motivering
1
Rechtbank Noord-Nederland
Veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebeslissing van het Hof van beroep te Gent, België, waarbij een bedrag van €150.000 werd gevorderd. De verdediging voerde aan dat in België geen vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd bij niet-betaling, terwijl in Nederland lijfsdwang (gijzeling) tot drie jaar mogelijk is, wat zou neerkomen op een verzwaring van de straf in strijd met de Verordening 2018/1805.
De rechtbank overwoog dat de toetsing beperkt is tot de redelijkheid van de beslissing van de officier van justitie en dat niet wordt getreden in het buitenlandse rechtsgeding. Er was geen sprake van een manifeste schending van grondrechten in het onderliggende Belgische geding. De rechtbank wees het verzoek tot nadere informatie af en bevestigde dat de Nederlandse toepassing van lijfsdwang ook onder de Verordening 2018/1805 is toegestaan, mede gelet op een eerdere uitspraak van het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie terecht heeft besloten tot erkenning en tenuitvoerlegging en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.