Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
cjib-zaaknummer 300000191
Rechtbank Noord-Nederland
Veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebeslissing van 29 april 2014 door het Hof van beroep te Gent, België, waarbij een bedrag van €42.000 werd gevorderd. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van Pro de WWETGC en de EU-Verordening 2018/1805.
De verdediging voerde aan dat de erkenning moest worden geweigerd wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim zeven jaar tussen het onherroepelijk worden van de beslissing en de executie, wat een schending van het recht op een eerlijk proces zou zijn. Tevens werd betoogd dat niet was voldaan aan het beginsel van noodzakelijkheid en dat er sprake was van willekeur.
De rechtbank oordeelde dat artikel 19 lid 1 onder Pro h van Verordening 2018/1805 alleen ziet op het onderliggende rechtsgeding en niet op de tenuitvoerlegging. Er was geen sprake van een manifeste schending van grondrechten in het onderliggende proces. De noodzaak en proportionaliteit van het bevel worden door de uitvaardigende autoriteit bepaald, en de uitvoerende staat mag erkenning niet weigeren op andere gronden dan in de verordening genoemd. De verjaringstermijn voor tenuitvoerlegging liep tot 29 april 2024, zodat het recht op executie nog bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen besluiten.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.