ECLI:NL:RBNNE:2022:3387

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 september 2022
Publicatiedatum
20 september 2022
Zaaknummer
18/037097-20
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke taakstraf wegens medeplichtigheid aan telen hennep

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 8 september 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplichtigheid aan het telen van hennep in de periode van november 2017 tot april 2019 in een pand te Delfzijl. Het primair ten laste gelegde feit betrof het mede mogelijk maken van de hennepteelt door het bestellen van onderdelen voor de kwekerij.

De rechtbank achtte het bewezen dat medeverdachte hennep teelde in een pand dat eigendom was van een vereniging waarvan verdachte en medeverdachte lid waren. Verdachte heeft op verzoek van medeverdachte ventilatoren besteld voor de kwekerij. De rechtbank sprak verdachte vrij van het ter beschikking stellen van het pand, omdat het pand niet zijn eigendom was en toestemming niet vereist was.

De feiten werden niet gelijkgesteld aan criminele hennepteelt gericht op financieel gewin; medeverdachte kweekte biologische wiet als hobby en zonder overlast of stroomdiefstal. Gezien de omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn werd een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur opgelegd met een proeftijd van een jaar. Vervangende hechtenis van 10 dagen is gesteld bij niet-naleving van de taakstraf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van een jaar wegens medeplichtigheid aan het telen van hennep.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie
Groningen
parketnummer 18/037097-20
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 september 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2022.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Rademacher.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 23 november 2017 tot en met 01 april 2019 te [plaats] , gemeente Delfzijl met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [straatnaam] een hoeveelheid van ongeveer 51 + 48 (in totaal 99), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode 23 november 2017 tot en met 01 april 2019 te [plaats] , gemeente Delfzijl, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte]
  • (als mede-eigenaar van) voornoemd pand, dit pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten terbeschikking te stellen en/of
  • een of meer onderdelen voor genoemde teelt/het kweken van hennepplanten, te weten 2 x airfan,te bestellen en/of te kopen en/of te betalen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 23 november 2017 tot en met 01 april 2019, te [plaats] , gemeente Delfzijl, althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij (telkens) wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het primair ten laste gelegde, kort gezegd medeplichtigheid aan het telen van hennep door [medeverdachte] .
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden, met uitzondering van het eerste gedachtestreepje - kort gezegd - het ter beschikking stellen van het pand aan [medeverdachte] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet verdachte maar de vereniging waar verdachte en [medeverdachte] lid van zijn eigenaar is van het pand. Toestemming van verdachte was niet vereist en het was een individueel besluit van [medeverdachte] om de kwekerij te beginnen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 augustus 2022;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij
d.d. 3 juni 2019, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019082153 d.d. 12 november 2019, inhoudend het relaas van verbalisanten;
3. een schriftelijk bescheid, opgenomen op pagina 58 van voornoemd dossier, te weten een foto vaneen leveringssticker met daarop de naam van verdachte, de datum 23 november 2017 en de beschrijving “2x airfan”.
Bewijsoverweging
De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het geven van toestemming door verdachte aan [medeverdachte] als bedoeld in het eerste gedachtestreepje van het primair ten laste gelegde geen voor medeplichtigheid relevante bijdrage aan het strafbare feit betreft, nu het pand geen eigendom van verdachte is, maar van een vereniging waarvan [medeverdachte] zelf ook deel uitmaakte. De rechtbank acht dit gedachtestreepje dan ook niet bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
[medeverdachte] in de periode van 23 november 2017 tot en met 1 april 2019 te [plaats] , gemeente Delfzijl telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [straatnaam] een hoeveelheid van ongeveer 99 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode 23 november 2017 tot en met 1 april 2019 te [plaats] , gemeente Delfzijl, opzettelijk middelen heeft verschaft, door voor die [medeverdachte] onderdelen voor genoemde teelt van hennepplanten, te weten 2 x airfan, te bestellen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uren met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie, met dien verstande dat een proeftijd van een jaar volstaat.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 juli 2022, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het kweken van hennep.
Zijn vriend [medeverdachte] had een hennepkwekerij met biologische wiet in een pand op het perceel van de vereniging waarvan verdachte en [medeverdachte] onderdeel uitmaakten als twee van de vier leden.
[medeverdachte] kweekte biologische wiet; dit deed hij als hobby en vanuit ideologische motieven. Verdachte - die een eigen bedrijf heeft - heeft op verzoek van [medeverdachte] zogenaamde “airfans”, ventilatoren, besteld ten behoeve van de kwekerij.
De rechtbank overweegt dat deze feiten en omstandigheden niet op één lijn kunnen worden gesteld met de teelt van hennep in hennepkwekerijen in criminele circuits, enkel geleid door financieel gewin, zoals die veelvuldig aan de rechtbank wordt voorgelegd en waarvoor doorgaans onvoorwaardelijke taak- of gevangenisstraffen worden opgelegd. [medeverdachte] heeft de omwonenden van de kwekerij niet in gevaar gebracht door met de stroomvoorziening te knoeien, heeft geen elektriciteit gestolen en lijkt de feiten niet te hebben gepleegd om er zelf rijker van te worden.
Gelet op het voorgaande, alsmede in aanmerking genomen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en dat verdachte lang in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afloop van deze zaak, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke taakstraf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden is.
De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat gelet op het tijdsverloop, waarbinnen verdachte niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen, een proeftijd van een jaar volstaat.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 48 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot: een taakstraf voor de duur van 20 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op een jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt voorts dat indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 september 2022.