ECLI:NL:RBNNE:2022:2373
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De officier van justitie heeft op 27 januari 2022 een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €567.991,60 van de veroordeelde. Deze vordering is gebaseerd op het vermoeden dat de veroordeelde voordeel heeft behaald uit strafbare feiten die onder het parketnummer 18-260249-21 vallen.
De zaak is behandeld tijdens de terechtzitting van 17 juni 2022, waarbij de veroordeelde aanwezig was en werd bijgestaan door zijn advocaat. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben hun standpunten naar voren gebracht.
De rechtbank heeft op basis van de beschikbare bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de ten laste gelegde feiten of soortgelijke feiten. Hierdoor is de vordering van de officier van justitie afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 1 juli 2022. De beslissing is openbaar uitgesproken en ondertekend door de voorzitter en twee rechters, waarbij de griffier en een rechter buiten staat waren de beslissing mede te ondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.