Eisers zijn verhuurders van een woonruimte en hebben met gedaagde een huurovereenkomst gesloten voor de periode van 1 april 2021 tot 31 maart 2022, waarbij zij stelden dat het een tijdelijke huurovereenkomst betrof zonder recht op huurbescherming na afloop. Gedaagde stelde dat sprake was van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, mede omdat zij vooraf was geïnformeerd dat zij zo lang kon blijven wonen als zij wilde.
Eisers vorderden ontruiming van het gehuurde op grond van een rechtsgeldige aanzegging van het einde van de huurovereenkomst en subsidiair op grond van een opzegging door gedaagde. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst niet ondubbelzinnig als tijdelijk kon worden aangemerkt, mede vanwege onduidelijkheden in de overeenkomst en het ontbreken van duidelijke communicatie vooraf.
Daarnaast werd geoordeeld dat de opzegging door gedaagde niet rechtsgeldig was omdat deze onder druk en intimidatie door eisers had plaatsgevonden, wat werd bevestigd door een getuige. De kantonrechter wees de vorderingen van eisers af en veroordeelde hen in de proceskosten.