Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 april 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1 augustus 2019 tot en met 1 augustus 2049. De rente is vastgesteld op 2,14% per jaar. De lening wordt annuïtair afgelost.
-/- € 7.607 aangegeven, bestaande uit € 3.676 rente en € 3.931 financieringskosten. Dit volledige bedrag is aan eiseres toegerekend.
Saldo eigen woningU heeft een nieuw aangekochte woning als eigen woning in box 1 aangegeven.Op grond van artikel 3.111 lid 3 Wet IB 2001 kan een nieuw aangekochte woning in box 1 aangegeven worden o.a. onder de voorwaarde dat ze leeg moet staan.Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat niet het geval te zijn. De woning is bewoond door het gezin [verkoper woning] . U voldoet niet aan de voorwaarden.De woning kan niet in box 1 worden aangegeven. Pas als de woning uw hoofdverblijf is, volgens de gemeentelijke basisadministratie 1 april 2021, kan de woning in box 1 worden aangegeven.Ik ben voornemens van de ingediende aangifte af te wijken en het saldo eigen woning vast te stellen op € 0.”
€ 45.903. Verweerder heeft, conform zijn voornemen (zie 1.7.), bij het vaststellen van de aanslag het saldo eigen woning vastgesteld op € 0. Deze aanslag leidde tot een te betalen bedrag van € 3.399.
– kortgezegd – geen kosten betreft die samenhangen met de financiering van de eigen woning. Met betrekking tot box 3 schrijft verweerder dat de woning en bijbehorende hypotheekschuld niet in box 3 hoefden te worden aangegeven, nu eiseres de woning op peildatum 1 januari 2019 niet in haar bezit had.
11 juli 2019 tot uiterlijk 1 juli 2020 bewoond door de verkopers. Dat is ook tussen partijen niet in geschil. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de woning eiseres gedurende deze periode niet als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Omdat er ook geen sprake was van leegstand is het derde lid van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 evenmin van toepassing. De woning is dan ook gedurende het kalenderjaar 2019 voor eiseres niet als eigen woning aan te merken. Dat eiseres vanaf de juridische levering de intentie heeft gehad om zelf in de woning te gaan wonen doet daaraan niet af.
Beslissing
mr. M.A. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022.