Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
2.Het standpunt van verzoeker
3.Het standpunt van mr. C.W. Couperus-van Kooten
4.Beoordeling
5.De beslissing
mr. W.S. Sikkema en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2021.
Rechtbank Noord-Nederland
In deze zaak diende de vader van drie minderjarige kinderen een verzoek tot wraking in tegen de kinderrechter die belast was met een jeugdrechtelijke procedure over vervangende toestemming voor medische behandeling. Het wrakingsverzoek berustte op de stelling dat de rechter vooringenomen zou zijn, onder meer omdat een verhoor van de minderjarigen voorafgaand aan de zitting ontbrak en er geen deskundigenverklaring was.
De kinderrechter stelde zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek ongegrond was omdat het slechts zag op inhoudelijke beslissingen waaruit geen vooringenomenheid kan worden afgeleid. De wrakingskamer toetste het verzoek aan artikel 36 Rv Pro en artikel 6 EVRM Pro en benadrukte de vermoede onpartijdigheid van rechters, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.
De rechtbank concludeerde dat er geen concrete feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. Het verzoek richtte zich op procedurele beslissingen waartegen bezwaar bestaat, maar die niet leiden tot wraking. Daarom werd het verzoek afgewezen en de procedure voortgezet in de bestaande stand.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kinderrechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.