In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een schadevergoeding van zijn paardenverzekering nadat een uitkering werd geweigerd wegens een vermeend gebrek aan het paard bij aanvang van de verzekering.
Eiser had een paard gekocht dat bij keuring een hoefkraakbeenverbening vertoonde, maar werd verzekerd met een clausule die dit uitsloot. Later bleek het paard rugproblemen te hebben (arthrose met kissing spines), vastgesteld door een dierenarts ruim een jaar na de verzekering. De verzekeraar weigerde uitkering en beëindigde de polis, stellende dat eiser zijn mededelingsplicht had geschonden door het gebrek niet te melden.
De kantonrechter oordeelde dat de verzekeraar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van opzet tot misleiding zoals vereist in de wet. Ook kon niet worden vastgesteld dat het gebrek al bij aanvang van de verzekering aanwezig was. Daarom werd de vordering van eiser toegewezen, inclusief buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De uitspraak benadrukt de strikte voorwaarden waaronder een verzekeraar een beroep kan doen op niet-nakoming van de mededelingsplicht en het belang van concrete aanwijzingen voor opzet tot misleiding.