Verdachte werd ten laste gelegd dat hij tussen 1 juni 2017 en 28 februari 2019 in De Westereen cocaïne heeft geteeld, bereid, verkocht en verstrekt. De verdediging voerde aan dat het getuigenbewijs onbetrouwbaar was en dat er geen hard bewijs was, mede vanwege het ontbreken van drugs bij doorzoeking en het feit dat getuigen verslaafden waren die elkaar kenden. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van getuigen en medeverdachte op essentiële punten overeenkwamen en betrouwbaar waren.
Op basis van deze verklaringen en het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor het drugsgebruik van verdachte, achtte de rechtbank het bewezen dat verdachte gedurende ongeveer twintig maanden cocaïne vanuit zijn woning verkocht. Verdachte werd strafbaar bevonden voor medeplegen van het handelen in strijd met de Opiumwet.
De rechtbank hield bij de strafoplegging rekening met de ernst van het feit, de maatschappelijke gevolgen van drugsgebruik en handel, en het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid nam. Tegelijkertijd werden strafverminderende omstandigheden meegewogen, zoals het beperkte volume en de afwezigheid van eerdere veroordelingen. De redelijke termijn was licht overschreden. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar op.