Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2021:4677

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 oktober 2021
Publicatiedatum
3 november 2021
Zaaknummer
9393082
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 lid 1 BWArt. 1:356 BWArt. 1:345 BWArt. 1:253l BWArt. 55 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing BEM-clausule op spaarrekening minderjarige

Moeder verzocht de kantonrechter om toestemming voor het opheffen van de BEM-clausule die rust op de spaarrekening van haar minderjarige dochter, vanwege een door de gemeente opgelegde verplichting op grond van de Participatiewet. De BEM-clausule beperkt het gebruik van het vermogen van de minderjarige, dat afkomstig is uit een erfenis van haar overleden vader.

De kantonrechter oordeelde dat op grond van artikel 1:392 lid 1 BW Pro ouders onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen tot 21 jaar, ongeacht de behoeftigheid van het kind. De wetgever heeft bepaald dat de financiële situatie van minderjarige kinderen individueel moet worden beoordeeld en dat de kantonrechter maatwerk moet leveren bij het toestaan van gebruik van het vermogen van het kind. In deze zaak is niet in rechte vastgesteld dat de minderjarige onderhoudsplichtig is jegens haar moeder of dat de aan moeder verleende bijstand terecht ten laste van het vermogen van de minderjarige wordt teruggevorderd.

Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de erfenis van de minderjarige wordt gebruikt ter vervanging van het gezinsinkomen. De vader van de minderjarige maakte ten tijde van zijn overlijden geen deel uit van het gezin en leverde geen bijdrage aan het gezinsinkomen. De kantonrechter wees er op dat moeder het vruchtgenot van het vermogen heeft en zonder machtiging de rente mag gebruiken voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Voor incidentele uitgaven kan zij een machtigingsverzoek indienen.

Op basis van deze overwegingen wees de kantonrechter het verzoek af. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de BEM-clausule op de spaarrekening van de minderjarige wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Locatie Leeuwarden
Zaak-/rolnummer: 9393082 VB VERZ 21-213
VB 29278

Beslissing op verzoek machtiging

Procesverloop

1. Op 13 augustus 2021 is ter griffie ingediend door [moeder] , in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige
[X], aangehecht verzoekschrift, met bovenstaand zaaknummer en voorzien van ontvangststempel.
Het verzoek strekt tot het verlenen van toestemming voor opheffing van de op de spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van de minderjarige voornoemd, rustende BEM-clausule.

Motivering

2. De gemeente [Y] heeft aan [moeder] , hierna ook te noemen: de moeder, op grond van artikel 55 van Pro de Participatiewet de verplichting opgelegd om bij de rechtbank een verzoek in te dienen om de BEM-clausule, die aanwezig is op de rekening van haar dochter, te lichten en de gemeente op de hoogte te houden van de voortgang van de procedure.
Als reden voor het opleggen van deze verplichting voert de gemeente aan dat de erfenis van [X] volgens de Participatiewet als vermogen wordt gezien, indien het mogelijk is om de BEM-clausule te lichten. De gemeente heeft verder aangegeven het niet nakomen van deze opgelegde verplichting door moeder kan leiden tot verlagen van de bijstand.
Het opheffen van de BEM-clausule kan eveneens met zich meebrengen dat de bijstand wordt verminderd of beëindigd.
3. Moeder verzoekt vanwege de door de gemeente opgelegde verplichting opheffing van de BEM-clausule, die rust op de spaarrekening van haar dochter.
4. Uit de gegevens zoals die in het kader van het toezicht op het vermogen van [X] zijn opgenomen in het beheerdossier bij de rechtbank blijkt het volgende.
De gelden op de rekening met BEM-clausule zijn afkomstig uit de nalatenschap van [erflater] , de vader van [X] . [erflater] is overleden op [datum overlijden].
[X] is samen met twee andere afstammelingen erfgenaam. De nalatenschap is bij notariële akte verdeeld. De kantonrechter heeft goedkeuring verleend aan deze akte van verdeling.
Het erfdeel van [X] is op aanwijzing van de kantonrechter gestort op een bankrekening met BEM-clausule.
De moeder en de vader van [X] zijn nimmer gehuwd geweest noch zijn zij een geregistreerd partnerschap aangegaan. Moeder heeft blijkens de informatie in de basisregistratie personen van 26 november 2015 tot 22 oktober 2016 ingeschreven gestaan op het adres van vader. [X] staat sinds haar geboorte ingeschreven op het adres van moeder, en heeft dus niet samen met moeder bij vader gewoond.
5. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 1:392 lid 1 BW Pro een onderhoudsverplichting is neergelegd van ouders jegens hun kinderen tot zij de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt. Deze verplichting bestaat ongeacht de behoeftigheid van het kind. Met behoeftigheid wordt hier bedoeld de situatie waarin iemand verkeert die onvoldoende eigen middelen heeft om te voorzien in het eigen levensonderhoud en deze ook in redelijkheid niet kan verwerven.
Artikel 1:392 lid 1 BW Pro bevat ook een onderhoudsplicht van kinderen ten opzichte van hun ouders, voor zover de ouder behoeftig is (lid 2) en er geen (vroegere) partner is die onderhoudsplichtig is (lid 3). De wet maakt hierbij geen uitzondering voor minderjarige kinderen. Uit de literatuur en jurisprudentie blijkt echter dat een onderhoudsplicht van minderjarige kinderen jegens een behoeftige ouder omstreden is en niet zonder meer mag worden aangenomen.
Uit de stukken is verder niet gebleken dat in rechte is vastgesteld dat en in hoeverre [X] onderhoudsplichtig is ten opzichte van haar moeder, dan wel dat aan haar moeder verleende bijstand terecht (dus bij onherroepelijke beschikking) wordt teruggevorderd ten laste van het vermogen van [X] . Door de gemeente is slechts aangegeven dat opheffen van de BEM-clausule kan leiden tot vermindering of beëindiging van de bijstand.
6. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft zich blijkens het verslag van een schriftelijk overleg van 22 januari 2010 over dit onderwerp uitgelaten (Kamerstuk 30545, nr. 85). De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de wetgever als uitgangspunt heeft genomen dat de financiële situatie van minderjarige kinderen individueel en objectief moet worden beoordeeld ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden, met inachtneming van het feit dat ook de ouders van deze minderjarige kinderen medeverantwoordelijkheid dragen. De beoordeling van de uiteenlopende situaties van deze kinderen is maatwerk, dat de wetgever uitdrukkelijk beoogd heeft toe te bedelen aan de kantonrechter. De kantonrechter beoordeelt op grond van artikel 1:356 BW Pro of in het individuele geval het noodzakelijk, wenselijk, of nuttig voor het minderjarig kind is, als de ouder kan beschikken over het vermogen van het minderjarig kind. Alleen als dat het geval is, zal de kantonrechter op grond van artikel 1: 345 BW daartoe een machtiging kunnen afgeven.
7. De kantonrechter zal daarom aan de hand van deze maatstaf de individuele omstandigheden en belangen van het minderjarig kind moeten toetsen.
De gelden die een minderjarige uit een erfenis ontvangt worden gewoonlijk niet aangewend voor levensonderhoud aangezien de ouders daartoe de verplichting hebben. De BEM-clausule op de bankrekening dient er voor te zorgen dat de gelden uit de erfenis alleen met machtiging van de kantonrechter kunnen worden gebruikt voor uitgaven in het persoonlijk belang van de minderjarige.
Wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden, zou dit aanleiding kunnen zijn om het geld van het minderjarige kind te besteden aan kosten van zijn levensonderhoud, of aan kosten van de huishouding van het gezin waarvan het deel uitmaakt. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin het maandelijkse gezinsinkomen is verlaagd doordat de bijdrage van de andere ouder wegens overlijden is weggevallen. Daardoor kan de overblijvende ouder in financiële moeilijkheden komen te verkeren waardoor de minderjarige bijvoorbeeld niet meer kan deelnemen aan een sport of hobby.
Vast staat dat de vader ten tijde van zijn overlijden geen deel uitmaakte van het gezin. Voorts is niet gebleken dat hij toen een bijdrage aan het gezinsinkomen leverde.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het geld uit de nalatenschap van vader structureel wordt aangewend voor (gedeeltelijke) vervanging van het gezinsinkomen.
8. Omdat niet in rechte vast staat dat en in hoeverre [X] onderhoudsplichtig is ten opzichte van haar moeder, dan wel dat aan haar moeder verleende bijstand terecht ten laste van het vermogen van [X] wordt teruggevorderd, en er daarnaast geen sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de erfenis van [X] wordt aangewend voor (gedeeltelijke) vervanging van het gezinsinkomen, zal de gevraagde machtiging worden afgewezen.
9. De kantonrechter wijst moeder er op dat zij op basis van artikel 1:253l BW het vruchtgenot heeft van het vermogen van [X] , en dat zij zonder rechterlijke machtiging de renteopbrengst van de rekening met BEM-clausule van [X] mag gebruiken voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud.
De kantonrechter wijst er daarnaast op dat voor incidentele uitgaven in het belang van het kind (bijvoorbeeld de aanschaf van benodigde middelen voor onderwijs, sport of hobby) door moeder een machtigingsverzoek bij de rechtbank kan worden ingediend.

Beslissing

De kantonrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. Groenewegen, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2021.
Conc.nr.: 375 / 755
Beschikking verzonden op:
Tegen deze eindbeschikking is hoger beroep mogelijk. Door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
VM01A