De rechtbank Noord-Nederland behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over een zestienjarige minderjarige, geboren in 2004. De ouders zijn gescheiden; de minderjarige woont bij de moeder, terwijl de vader in Marokko verblijft en geen contact onderhoudt. De moeder kampt met ernstige psychiatrische problematiek, waaronder een incident waarbij zij de minderjarige probeerde te wurgen tijdens een psychose.
De Raad achtte het noodzakelijk het gezag van beide ouders te beëindigen en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd te benoemen, vanwege het onvermogen van de ouders om voor de minderjarige te zorgen. De moeder ontkende nog ziek te zijn en wilde het gezag behouden. De vader was niet verschenen maar liet via een brief weten dat de moeder het gezag moest behouden.
De rechter vond de onderbouwing van een ernstige ontwikkelingsbedreiging onvoldoende en gaf de Raad opdracht nader onderzoek te doen, onder meer naar de rol van een derde betrokkene die de zorg voor de minderjarige ondersteunt. De zaak werd aangehouden tot 9 april 2021 voor een nieuwe mondelinge behandeling, waarbij nader rapport en betrokkenen worden gehoord.