Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het verdere procesverloop
2.Nadere standpunten van partijen en de beoordeling daarvan
3.Beslissing
woensdag 14 juli 2021in tegenwoordigheid van de griffier.
Arnhem-Leeuwarden.
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland behandelde een zaak waarin de man en vrouw, beiden ouders van een minderjarige, het ouderlijk gezag en de omgangsregeling betwistten na verhuizing van de vrouw en de minderjarige van België naar Nederland. De rechtbank stelde ambtshalve vast dat partijen naar Belgisch recht gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben verkregen en dat dit gezag ondanks de verhuizing naar Nederland in stand is gebleven op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
De vrouw verzocht voorwaardelijk om beëindiging van het gezamenlijk gezag en toewijzing van eenhoofdig gezag aan haar, evenals vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij haar. De rechtbank paste artikel 1:253n en 1:251a BW naar analogie toe en oordeelde dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen partijen, zodat het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag werd afgewezen. Wel werd het verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats toegewezen.
Ten aanzien van de omgangsregeling stelde de rechtbank vast dat de omgang binnen het BOCS-traject goed verloopt en besloot de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde uitbreiding van de omgang vast te leggen, ondanks bezwaren van de vrouw over de opvoedvaardigheden van de man en de reistijd. De rechtbank benadrukte het belang van een band tussen de minderjarige en de man en riep partijen op tot constructieve samenwerking en communicatie, eventueel met behulp van ouderschapsmediation.
Uitkomst: Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, de hoofdverblijfplaats wordt bij de vrouw vastgesteld en de omgangsregeling met de man wordt uitgebreid.