ECLI:NL:RBNNE:2021:2260
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen oplichting en diefstal
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 juni 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had ingediend tegen de veroordeelde. De vordering betrof een bedrag van €75.211,-, gebaseerd op opbrengsten uit meerdere strafbare feiten van medeplegen van oplichting en diefstal met behulp van valse sleutels.
De rechtbank baseerde haar schatting op diverse bewijsmiddelen, waaronder het vonnis van de meervoudige strafkamer, verklaringen van de veroordeelde, aangiftes van benadeelden en een rapport van 5 februari 2021 over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Na correcties, waaronder een vermindering wegens geblokkeerde cadeaukaartcodes en een aanpassing van een ontvreemd bedrag, kwam de rechtbank tot een opbrengst van €73.011,-.
De rechtbank nam aan dat de opbrengst gelijk verdeeld was over minstens drie betrokken personen, waaronder de veroordeelde, en stelde het voordeel van de veroordeelde vast op €24.337,-. Hierop werden brandstofkosten van €206,45 in mindering gebracht, resulterend in een definitief bedrag van €24.130,55.
De rechtbank wees betwisting van de raadsman af om de aan benadeelden toegekende vorderingen in mindering te brengen, omdat niet was aangetoond dat deze bedragen waren voldaan of onherroepelijk vastgesteld. Op grond van artikel 36e Sr legde de rechtbank de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €24.130,55 op aan de veroordeelde en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 482 dagen.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €24.130,55 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat.