Op 31 oktober 2020 heeft verdachte een medebewoner in een instelling voor begeleid wonen meermalen met kracht met de vuist in het gezicht geslagen. Nadat het slachtoffer ten val kwam en weerloos op de grond lag, heeft verdachte hem nog tweemaal tegen het hoofd geslagen en eenmaal getrapt. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard, waarmee sprake is van poging tot zware mishandeling.
Tijdens de zitting van 4 mei 2021 heeft verdachte verklaard de feiten te hebben gepleegd. Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer, een verbalisant en camerabeelden. Het slachtoffer had letsel aan het hoofd en de rechterhand. Verdachte was eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en lijdt aan een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis en persoonlijkheidsstoornissen, wat de toerekeningsvatbaarheid vermindert.
De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoon van verdachte en het psychologisch rapport. De straf is vastgesteld op 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Als bijzondere voorwaarden zijn opgelegd een klinische opname in een forensisch psychiatrische afdeling (FPA) of soortgelijke instelling, ambulante behandeling, meldplicht, en een middelenverbod. De rechtbank acht behandeling noodzakelijk om recidive te voorkomen.
De bijzondere voorwaarden worden dadelijk uitvoerbaar verklaard. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. De rechtbank spreekt de hoop uit dat verdachte de behandeling benut om gedragsverandering te bewerkstelligen.