ECLI:NL:RBNNE:2021:1687

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 april 2021
Publicatiedatum
30 april 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 151
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbArt. 22 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking beroep WOZ-waarde met verzoek griffierechtvergoeding afgewezen

Verzoeker stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak, maar trok dit beroep in nadat verweerder gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoetkwam. Verzoeker verzocht de rechtbank om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de wet in deze procedure geen mogelijkheid biedt om verweerder te gelasten tot vergoeding van proceskosten, waardoor het verzoek werd afgewezen. Wel is verweerder op grond van de Algemene wet bestuursrecht gehouden het betaalde griffierecht te vergoeden.

De uitspraak bevestigt dat bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, vergoeding van griffierecht verplicht is, maar een bredere proceskostenvergoeding niet mogelijk is in deze procedure.

De uitspraak werd gedaan door rechter P.P.D. Mathey-Bal op 26 april 2021 en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, maar verweerder moet het griffierecht van €48 vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/151
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 april 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, verweerder

(gemachtigde: [medewerker gemeente] ).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2019 heeft verweerder op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2018, vastgesteld voor het kalenderjaar 2019 op € 130.000.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 augustus 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder is bij brief van 13 februari 2020 aan de bezwaren van verzoeker tegemoet gekomen.
Verzoeker heeft het beroep bij brief van 18 maart 2020 ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft niet op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. Met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist de rechtbank zonder nader onderzoek als volgt.
2. In de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld. [1]
3. Uit het ‘formulier proceskosten’ zoals door verzoeker ingediend begrijpt de rechtbank dat verzoeker uitsluitend verzoekt om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. De wet biedt niet de mogelijkheid in deze procedure verweerder daartoe te gelasten. Het verzoek om een proceskostenveroordeling moet daarom worden afgewezen. Dit neemt echter niet weg dat, nu het beroep is ingetrokken omdat verweerder aan de grieven van verzoeker is tegemoetgekomen verweerder gehouden is het ter zake van het ingestelde beroep betaalde griffierecht van € 48 aan verzoeker te vergoeden. [2]

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier, op 26 april 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
w.g. griffier w.g. rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin van de Awb.
2.Artikel 8:41, zevende lid van de Awb.