In deze strafzaak werd verdachte beschuldigd van afpersing, diefstal met geweld en witwassen van een geldbedrag van €2.270,67, gepleegd in december 2019 in Leeuwarden en Groningen. Het openbaar ministerie stelde dat verdachte samen met een medeverdachte het slachtoffer onder dwang geld had afgenomen en dat verdachte het geld vervolgens had witgewassen.
Tijdens de zitting op 9 april 2021 werd vastgesteld dat verdachte niet was verschenen en verstek was verleend. De rechtbank beoordeelde het bewijs, waaronder bankgegevens, camerabeelden en verklaringen, maar vond dat de verklaringen onvoldoende werden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De precieze toedracht van de geldtransacties bleef onduidelijk en er was onvoldoende bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten.
De rechtbank oordeelde dat het niet kon worden vastgesteld dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf en sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens werd de civiele vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, omdat het ten laste gelegde niet bewezen was. De kosten van het geding werden ieder voor eigen rekening gelaten.