De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 2 april 2021 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerijzaak. De officier van justitie vorderde een bedrag van €1.772.768,05, waarvan slechts €11.460,05 betrekking had op het bewezenverklaarde feit. De verdediging betwistte de vordering en voerde lagere opbrengsten en gemaakte kosten aan.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van 2 april 2021 en een proces-verbaal rapport van 5 april 2019 waarin de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegelicht. Uit het rapport bleek dat de bruto opbrengst per oogst minimaal €16.743,98 bedroeg, gebaseerd op 139 hennepplanten en een geschatte verkoopprijs per kilogram.
De rechtbank nam de kosten in mindering die direct verband hielden met de hennepteelt en waarvan het bestaan was aangetoond, waaronder afschrijvingskosten, kosten voor hennepstekken, variabele kosten en reeds betaalde elektriciteitskosten. Dit leidde tot een totaal aan kosten van €5.283,93. Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel werd daarmee vastgesteld op €11.460,05.
De rechtbank verwierp de door de verdediging aangevoerde lagere opbrengsten en kosten wegens onvoldoende onderbouwing. Ondanks eerdere strafvermindering wegens termijnoverschrijding zag de rechtbank geen aanleiding om de betalingsverplichting te verminderen. De duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal 229 dagen.