Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2020:5175

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2020
Publicatiedatum
13 augustus 2021
Zaaknummer
C18/202386 PR RK 20-355
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking wegens gebrek aan concrete wrakingsgronden

Verzoeker diende op 12 november 2020 een wrakingsverzoek in tegen de (anonieme) rechter die zijn bestuursrechtelijke zaak behandelde. Hij stelde dat de rechter politiek-discriminatoir handelde en dat vragen aan de griffie onbeantwoord bleven.

De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarbij een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De rechtbank concludeerde dat het verzoek geen concrete feiten of zwaarwegende aanwijzingen bevatte die een vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor aannemelijk maakten.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat klachten over de griffie niet via een wrakingsverzoek behandeld kunnen worden. Daarom wees de rechtbank het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond af en besloot de procedure voort te zetten zoals die was vóór het verzoek tot wraking.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de behandelend rechter wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Locatie Groningen
MEERVOUDIGE KAMER
Zaaknummer / rolnummer: C/18/202386/PR RK 20-355
Beslissing van 26 november 2020
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
[naam],
wonende te [woonplaats],
verzoeker.

1.Procesverloop

1.1.
Bij e-mail van 12 november 2020 heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend bij deze rechtbank, in de procedure met registratienummer LEE 20/02428.
1.2.
In dat verzoek heeft verzoeker onder meer het volgende vermeld:
"
Ik wraak de (anonieme) rechter die deze zaak in behandeling heeft en wel om de volgende redenen:
Ook deze procedure is mijns inziens weer bedoeld om nog meer schade en nadeel te brengen. De motieven zijn politiek-discriminatoir. Want, nimmer wordt er door de rechters van de rechtbank Noord-Nederland inhoudelijk naar de zaken gekeken (…)
Vragen die ik in deze procedure aan de griffie heb gesteld zijn niet beantwoord (…)".

2.De beoordeling

2.1.
Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechter die een zaak behandelt - op verzoek van een partij - worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.
2.3.
De rechtbank overweegt dat aan het onderhavige verzoek tot wraking van de behandelend rechter geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van die rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid.
Voor zover in het wrakingsverzoek feiten en omstandigheden zijn vermeld, zijn deze te algemeen en te weinig concreet.
Voor zover verzoeker klaagt over de handelwijze van de griffie overweegt de rechtbank dat een wrakingsverzoek daartoe niet het geëigende middel is.
2.4.
Het verzoek tot wraking van de (anonieme) rechter die de zaak in behandeling heeft zal dan ook als kennelijk ongegrond worden afgewezen. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek tot wraking als kennelijk ongegrond af;
3.2.
bepaalt dat de procedure met nummer LEE 20/02428 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
3.3.
beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.P. Claus, voorzitter, en mrs. M. Sanna en S. Zwarts, leden, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2020.