Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2020:4824

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 november 2020
Publicatiedatum
15 januari 2021
Zaaknummer
C18/202025 PR RK 20-337
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Op 17 november 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan over een wrakingsverzoek van een partij tegen mr. M. Griffioen, rechter in een civiele hoofdzaak. Verzoeker stelde dat mr. Griffioen in een tussenvonnis onjuiste gronden hanteerde en een bepaalde richting gaf, waardoor geen onpartijdige beslissing meer mogelijk zou zijn.

De rechtbank overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing geven voor vooringenomenheid of de schijn daarvan. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet voldoende. De rechtbank stelde vast dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden had aangevoerd die de vermeende vooringenomenheid zouden onderbouwen.

Ook werd benadrukt dat de juistheid van rechterlijke beslissingen beoordeeld moet worden in een hoger beroep en niet via wraking. Bovendien was kenbaar gemaakt dat het verzoek om terug te komen op de eerdere beslissing tijdens de mondelinge behandeling aan de orde zou komen.

De rechtbank besloot daarom het wrakingsverzoek ongegrond te verklaren en de hoofdzaak voort te zetten in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en is niet meer aan een rechtsmiddel onderworpen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Griffioen wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen
Meervoudige wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C18/202025 PR RK 20-337
Datum beslissing: 17 november 2020
Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van
[naam] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna [verzoeker] te noemen,
in persoon procederende.

1.Het procesverloop

1.1
Bij e-mailbericht van 2 november 2020 heeft [verzoeker] mr. M. Griffioen, als rechter in de zaak met zaak\rolnummer 7817711 CV EXPL 19-5398, gewraakt.
1.2
Bij brief van 11 november 2020 heeft mr. Griffioen kenbaar gemaakt dat zij niet in het wrakingsverzoek berust.
1.3
De rechtbank heeft bepaald dat deze beslissing vandaag wordt uitgesproken.

2.Het standpunt van [verzoeker]

2.1
heeft mr. Griffioen gewraakt nu in het tussenvonnis is uitgegaan van onjuiste gronden. Het vonnis is bovendien onbegrijpelijk en voldoet niet aan het (proces)recht. Voorts heeft mr. Griffioen in het tussenvonnis een bepaalde richting gegeven waardoor er van een niet-vooringenomen beslissing geen sprake meer kan zijn. Het standpunt van mr. Griffioen dat de wederpartij zich eerst dient uit te laten voordat een fout in het tussenvonnis kan worden hersteld, is onjuist nu de wederpartij kennis heeft van alle stukken en daar ook al op heeft gereageerd. Alle stukken zijn door [verzoeker] tijdig en correct ingediend. Desondanks verzoekt [verzoeker] dat de door hem reeds ingediende stukken en de stukken die hij bij zijn brief van 23 oktober 2020 heeft gevoegd, aan het procesdossier in de hoofdzaak worden toegevoegd.

3.Het standpunt van mr. Griffioen

3.1
Mr. Griffioen voert aan dat er geen sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan. Voordat kan worden teruggekomen op een beslissing, dient de tegenpartij daarover te worden gehoord. De griffier heeft namens mr. Griffioen aan [verzoeker] laten weten dat zijn verzoek om terug te komen op een eerdere beslissing, tijdens de mondelinge behandeling aan de orde zal komen.

4.De beoordeling

4.1
Ingevolge artikel 36 Rv Pro kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3
De rechtbank begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat hij vindt dat mr. Griffioen vooringenomen is omdat zij volgens hem in het tussenvonnis een onjuiste beslissing heeft genomen. De juistheid van de rechterlijke beslissing kan echter alleen in een hogere instantie worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. [verzoeker] heeft hiervoor evenwel geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Door hem is immers niet uiteengezet waarom hij van mening is dat het tussenvonnis zou zijn gebaseerd op onjuiste gronden. Daar komt bij dat namens mr. Griffioen kenbaar is gemaakt dat het verzoek van [verzoeker] om terug te komen op een eerdere beslissing zal worden besproken op de mondelinge behandeling. Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet de (schijn van) vooringenomenheid van mr. Griffioen. Omdat [verzoeker] geen gronden heeft aangevoerd die tot wraking zouden kunnen leiden, is de rechtbank van oordeel dat afgezien kan worden van het houden van een zitting en het verzoek op basis van de stukken kan worden afgedaan. Het wrakingsverzoek wordt ongegrond verklaard.
4.4
Voor zover [verzoeker] verzoekt dat door hem ingebrachte stukken aan het procesdossier in de hoofdzaak worden toegevoegd, oordeelt de rechtbank dat een beslissing daarover aan de rechter in de hoofdzaak is.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat de hoofdzaak (met zaak\rolnummer 7817711 CV EXPL 19-5398) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan [verzoeker] , mr. Griffioen, Wagenaar Advocaten, [naam] en mr. R.P. van Boven.
Deze beslissing is gegeven door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, en mrs. P.J. Duinkerken en A.M.A.M. Kager, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.
c402/eh
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.