Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2020:4823

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
15 januari 2021
Zaaknummer
C18/202968 PR PK 20-391
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na beëindiging behandeling eerdere wraking

Verzoekster diende op 7 december 2020 een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige wrakingskamer die eerder een wrakingsverzoek van haar op 26 november 2020 had afgewezen.

De rechtbank overwoog dat op het moment van het nieuwe wrakingsverzoek geen rechters meer de zaak behandelden, omdat de behandeling van het eerdere wrakingsverzoek was afgesloten met een einduitspraak. Volgens vaste jurisprudentie moet een wrakingsverzoek worden ingediend voordat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd.

Daarom voldoet het wrakingsverzoek niet aan de formele vereisten van artikel 8:15 Awb Pro en artikel 36 Rv Pro en wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek is achterwege gelaten.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na beëindiging van de behandeling van het eerdere wrakingsverzoek is ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: C18/202968 PR PK 20-391
beslissing van de meervoudige kamer van 18 december 2020
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) c.q. de artikelen 36 e.v. Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) van
[naam],
wonende te [woonplaats],
verzoekster.

1.Procesverloop

Bij brief van 7 december 2020 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot wraking van de meervoudige wrakingskamer (bestaande uit mrs. W.P. Claus, M. Sanna en S. Zwarts) die een eerder wrakingsverzoek van verzoekster bij beslissing van 26 november 2020 heeft afgewezen.

2.Overwegingen

2.1.
Ingevolge artikel 8:15 Awb Pro c.q. artikel 36 Rv Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen – op verzoek van een partij – worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat de behandeling van het eerdere wrakingsverzoek is beëindigd met de beslissing van de hierboven genoemde wrakingskamer van 26 november 2020. Op het moment dat verzoekster het onderhavige wrakingsverzoek indiende, 7 december 2020, was er derhalve geen sprake meer van behandelende rechters in de zin van artikel 8:15 Awb Pro c.q. artikel 36 Rv Pro.
2.3.
Verzoekster heeft aangevoerd dat de zinssnede “elk van de rechters die een zaak behandelen” moet worden gelezen als “elk van de rechters die een zaak behandelen op het moment dat er een grond voor wraking ontstaat”, en niet als “elk van de rechters die een zaak behandelen op het moment van het indienen van het wrakingsverzoek”. Dit betoog volgt de rechtbank niet. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 18 december 1998, ECLI:NL:PHR:1998:AD2977) moet een wrakingsverzoek worden ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd.
2.4.
Omdat het onderhavige wrakingsverzoek niet voldoet aan de formele vereisten zoals bedoeld in artikel 8:15 Awb Pro c.q. artikel 36 Rv Pro, dient dat verzoek kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan daarom achterwege blijven.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
3.2.
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster en aan mrs. W.P. Claus, M. Sanna en S. Zwarts.
Deze beslissing is gegeven door mrs. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. P.J. Duinkerken en L.T. de Jonge, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.
typ: 692