Op 29 november 2018 heeft verdachte met gedeeltelijk bedekt gelaat een fietsenwinkel in Groningen betreden en een mes nabij de keel van de eigenaar gehouden. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld de afgifte van geld en/of goederen probeerde af te dwingen, maar niet dat hij zelf geld of goederen wilde wegnemen.
De bewijsvoering bestond uit camerabeelden, verklaringen van de aangever en verbalisanten, en vond plaats onder meer aan de hand van de herkenning van verdachte op beelden, overeenkomsten in kleding en rugzak, en de vondst van een mes bij verdachte. De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor poging tot afpersing en wees op inconsistenties in de verklaringen en tijdstippen.
De rechtbank verwierp de primaire tenlastelegging wegens gebrek aan bewijs voor poging tot diefstal, maar veroordeelde verdachte voor de subsidiaire tenlastelegging van poging tot afpersing. De strafmaat werd vastgesteld op 14 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van het feit, het tijdsverloop en het ontbreken van eerdere veroordelingen.