1.12.Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt het volgende privégebruik van de auto:
Jaar
Aantal privé-kilometers
2012
494
2013
481
2014
483
2015
428
2016
432
Vooraf: ontvankelijkheid van de bezwaren
2. De rechtbank heeft bij brief van 14 mei 2020 aan partijen een voorlopig oordeel gegeven over de ontvankelijkheid van de bezwaren. Het voorlopig oordeel is opgenomen in het dossier.
3. Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat verweerder de bezwaren volgens de rechtbank terecht ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank denkt daar nu nog net zo over en overweegt daartoe als volgt.
4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissingen in het controlerapport (zie 1.7.). Tegen beslissingen in een controlerapport staat – gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht – geen bezwaar open. Eiser heeft verweerder echter wel in zijn brief verzocht om de gevolgen in de vorm van aanslagen op te schorten (zie de slotzin). Omdat de navorderingsaanslagen over het jaar 2012 ten tijde van het indienen van het bezwaar al opgelegd waren, acht de rechtbank die zin voldoende om de brief van eiser aan te merken als bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over 2012. Omdat de belastingaanslagen over de latere jaren toen nog niet opgelegd waren, geldt dit niet voor die belastingaanslagen.
5. De rechtbank heeft de e-mail van verweerder van 14 augustus 2018 (zie 1.8.) onder de loep genomen. Verweerder schrijft daarin dat eisers brief van 15 juli 2018 als bezwaar tegen de belastingaanslagen 2012 tot en met 2016 wordt opgevat. Omdat op 14 augustus 2018 de bezwaartermijn ten aanzien van de navorderingsaanslagen over de jaren 2013 tot en met 2015 al liep, is deze mededeling van verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende om een eventuele latere termijnoverschrijding bij het indienen van bezwaar ten aanzien van die jaren verschoonbaar te achten.
6. Vervolgens vindt op 27 augustus 2018 een hoorzitting plaats. Het is dan duidelijk dat eiser bezwaar maakt tegen alle in geschil zijnde jaren. Als verweerder van oordeel was dat eiser niet rechtsgeldig in bezwaar was gekomen, had verweerder op dat moment strikt genomen tegen eiser moeten zeggen dat mondeling bezwaar indienen niet mogelijk is. Voor dat vormverzuim had hij dan een herstelmogelijkheid moeten bieden. Zelf als het hoorgesprek niet als mondeling bezwaar aangemerkt zou worden, dan is er nog een e-mail van eiser van 18 september 2018 (Bijlage 16 bij het verweerschrift) waaruit blijkt dat eiser bezwaar maakt tegen alle jaren. Die e-mail zou dan in ieder geval als bezwaar moeten gelden. Op dat moment was de aanslag voor het jaar 2016 al opgelegd en liep de bezwaartermijn ter zake van die aanslag nog. Ook hier geldt dat verweerder voor een eventueel vormverzuim geen herstelmogelijkheid heeft geboden. .
7. De slotsom is dat alle bezwaren,. linksom of rechtsom, ontvankelijk zijn.
8. In geschil is of verweerder de (navorderings)aanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser heeft doen blijken dat de auto (de Peugeot 3008, zie 1.3.) per jaar voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.
9. Daarnaast is in geschil of verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft geschonden.
10. Eisers beroepsgrond ten aanzien van de tijdigheid van de aanslagen over de jaren 2012 en 2013 is ter zitting besproken. De gemachtigde van eiser heeft daarbij aangegeven deze beroepsgrond ten aanzien van 2013 in te trekken. Ten aanzien van 2012 heeft de gemachtigde van eiser op de zitting gezegd de rechtbank later te informeren, voor het geval deze beroepsgrond voor dat jaar wél gehandhaafd zou worden. Nu de rechtbank geen nader bericht heeft ontvangen van de gemachtigde van eiser, beschouwt de rechtbank deze beroepsgrond ook ten aanzien van 2012 als ingetrokken.
11. Eiser stelt dat de (navorderings)aanslagen ten onrechte opgelegd zijn. Volgens eiser is de tweede herstelde rittenregistratie sluitend en blijkt daaruit dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden is gebruikt. Eiser stelt sinds 2009 een rittenregistratie bij te houden in Excel-bestanden. Dagelijks hield hij op een kladpapiertje de kilometerstanden van de auto bij. Die voerde hij dan éénmaal per week, tegelijk met het opstellen van zijn facturen, in een Excel-bestand in. Daarbij werd de begin- en eindstand per dag geregistreerd. De ritafstand enkele reis werd berekend door het totaal aantal kilometers te delen door twee. Het Excel-bestand bevatte per maand een apart tabblad en een tabblad voor de totaaltelling van het betreffende jaar. De kilometerstanden werden per maand gekoppeld. De rittenregistratie is nooit gecontroleerd door zijn boekhouder. Ten tijde van het boekenonderzoek bleek dat er in de corrupte bestanden verschuivingen hadden plaatsgevonden waardoor een deel van de gegevens verloren was gegaan. De kilometerstanden klopten daardoor ook niet meer op de dag nauwkeurig.
12. Verweerder stelt dat er geen sprake is van een sluitende en dagelijks bijgehouden rittenregistratie. De door eiser achteraf (bij twee gelegenheden) herstelde rittenregistratie is niet controleerbaar en bevat een aantal aantoonbare gebreken. Voor wat betreft de gebreken wijst verweerder op de afstanden die per rit vermeld zijn. Van een aantal veel voorkomende ritten heeft verweerder met behulp van verschillende routeplanners de afstand berekend. Uit die berekeningen volgt volgens verweerder dat de geregistreerde kilometerstanden niet juist kunnen zijn. Uit het feit dat in de verschillende versies van de rittenregistratie doortelfouten zitten, volgt dat eiser niet dagelijks de begin- en eindstanden van de kilometerteller heeft genoteerd. Dan hadden deze doortelfouten veel eerder aan het licht moeten komen. De kilometerstanden in de tweede herstelde versie zijn niet ontleend aan daadwerkelijk geregistreerde kilometerstanden. In zijn bewijsnood is eiser naar de FIOD-kilometerstanden toe gaan rekenen. Verweerder wijst verder op inconsistenties tussen de twee versies van de herstelde rittenregistratie. Het aantal kilometers per rit verschilt soms tussen de versies. Dat strookt niet met de eerdere verklaring van eiser dat die gegevens nog uit de originele bestanden gehaald konden worden. Ook staan er in de twee versies soms verschillende (andere) ritten vermeld, zodat zonder primaire bescheiden niet te controleren is of de ritten in de tweede herstelde rittenregistratie juist zijn.
13. In de controle- en bezwaarfase is herhaaldelijk gesproken over de andere auto’s die eisers gezin in privé ter beschikking stonden, en de vraag of eisers gezinsleden mogelijk gebruik hadden gemaakt van de zakelijke auto. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit punt uitdrukkelijk geen rol meer speelt in de beroepsfase. Dat betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van het geschil ervan uitgaat dat de gezinsleden van eiser
geengebruik hebben gemaakt van de zakelijke auto.
14. Op grond van artikel 3.20 van de Wet IB 2001 (tekst 2012 tot en met 2016) wordt op jaarbasis een percentage van de waarde van de auto als voordeel (onttrekking) in aanmerking genomen indien de auto aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden ter beschikking staat. De auto wordt geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan, tenzij blijkt dat dat auto daarvoor op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer wordt gebruikt. Als uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel op nihil gesteld. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden waaraan een rittenregistratie moet voldoen.
15. In artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2012 tot en met 2016) is bepaald dat – voor zover hier van belang – de rittenregistratie per rit ten minste de volgende gegevens bevat:
- datum;
- beginstand en eindstand van de kilometerteller;
- beginadres en eindadres;
- de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;
- het karakter van de rit.
Bewijsobject en bewijsaanbod
16. Gelet op het hiervoor weergegeven juridisch kader (zie 14. en 15.) is het bijhouden van een rittenregistratie (die voldoet aan de gestelde vereisten) de gemakkelijkste manier om te voldoen aan de bewijslast om te doen blijken dat een zakelijke auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden wordt gebruikt. Een rittenregistratie is echter niet de enige mogelijkheid om aan die bewijslast te voldoen. Sterker nog, zelfs alleen de eigen verklaring van de belastingplichtige kan genoeg zijn: het gaat erom hoeveel gewicht die verklaring in de schaal legt. Bij dit alles is van belang dat het bewijsobject niet het
precieze aantalgereden (privé)kilometers betreft. Het bewijsobject is het niet overschrijden van de grens van 500 privékilometers per kalenderjaar. Anders gezegd: eiser hoeft niet tot achter de komma te bewijzen hoeveel kilometers hij privé heeft gereden, maar alleen
dat het er niet meer dan 500 zijn geweest. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de brief van 2 november 2020 aan de rechtbank heeft gerefereerd aan het bewijsaanbod dat hij heeft gedaan. De rechtbank wijst eiser erop dat het in fiscale zaken aan partijen is om hun procespositie in te vullen met de bewijsmiddelen die zij noodzakelijk achten. De rechter moet hen de gelegenheid daartoe geven, maar hoeft in dat kader geen prognose te geven van de uitkomst van de procedure of anderszins vooraf duidelijk te maken of nader bewijs zinvol zou (kunnen) zijn. De rechtbank beoordeelt deze zaken daarom aan de hand van het bewijs zoals dat er ligt.
17. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto aan eiser ook in privé ter beschikking heeft gestaan. Gelet daarop wordt alleen dan geen voordeel in aanmerking genomen indien
blijktdat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.
18. De rechtbank stelt voorop dat uit de wettelijke regeling (het gebruik van het woord 'blijkt') volgt dat op eiser in deze een verzwaarde bewijslast rust. Meer precies gaat het om de bewijsgradatie, dus de mate waarin het bewijs dat eiser heeft, overtuigingskracht heeft. Eiser kan niet, zoals elders in het fiscale recht gebruikelijk is, volstaan met
aannemelijk te makendat er per jaar voor niet meer dan 500 kilometer privé met de auto gereden is, maar dient dat te
doen blijken. Bij aannemelijk maken gaat het erom dat de lezing van eiser het meest waarschijnlijke scenario is. Dat laat dus duidelijk ruimte voor andere, in principe ook denkbare scenario’s. Bij doen blijken moet de lezing van eiser echter buiten redelijke twijfel staan. Eiser moet overtuigend aantonen dat het in wezen niet anders kan dan dat zijn verhaal klopt. Dat betekent voor deze zaken dat zodra de rechtbank in redelijkheid twijfelt aan de lezing van eiser, hij niet slaagt in zijn bewijslast.
19. Eiser heeft de volgende bewijsmiddelen ingebracht:
- de eerste herstelde rittenregistratie;
- de tweede herstelde rittenregistratie;
- zijn verklaringen in de stukken en ter zitting en
- diverse primaire bescheiden als bijlage opgenomen bij zijn nadere stuk van 31 juli 2020.
Bij de hierna volgende beoordeling weegt de rechtbank deze bewijsmiddelen steeds gezamenlijk.
20. De rechtbank is van oordeel dat de opzet van de rittenregistratie van eiser op zichzelf geen slechte weergave is van het gebruik van de auto. De registratie van eiser bevat echter geen exacte adressen, zodat van een rittenregistratie als bedoeld in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 reeds om die reden geen sprake is. De rechtbank gelooft wel dat eiser zijn best gedaan heeft om de rittenregistratie zo nauwkeurig als mogelijk te herstellen. Het achteraf herstellen heeft echter tot gevolg gehad dat er problemen zijn ontstaan in de rittenregistratie. Zo zijn er (nog steeds) aansluitverschillen en wordt voor veel ritten telkens exact hetzelfde aantal gehele kilometers weergegeven. Deze punten zijn op de zitting besproken. Uit de manier waarop eiser zijn rittenregistratie heeft opgezet, leidt de rechtbank af dat eiser zich wel altijd bewust geweest is van de noodzaak om zijn ritten goed bij te houden. De rechtbank moet echter beoordelen of eiser met hetgeen hij als bewijs heeft aangevoerd, slaagt in de op hem rustende zware bewijslast zoals hiervoor uiteengezet (zie 18.). Omdat de grens van 500 kilometer privégebruik in dit geval per kalenderjaar geldt zal de rechtbank hierna per jaar afzonderlijk beoordelen of eiser
overtuigend heeft aangetoonddat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé gereden is.
21. De rechtbank is van oordeel dat eiser
nietovertuigend aantoont dat hij in 2012 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
22. Hoewel eiser in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie heeft verklaard en opgelost, overtuigt eiser met de tweede herstelde rittenregistratie de rechtbank niet van zijn standpunt dat hij niet meer dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden. Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2012 in ieder geval 494 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een hele kleine marge, namelijk 6 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.
23. Het grote verschil tussen de eerste herstelde rittenregistratie en de FIOD-gegevens over 2012 heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank afdoende verklaard. De verklaring over de formulefout in eerdere jaren, waardoor de beginkilometerstand per 1 januari 2012 onjuist was, acht de rechtbank geloofwaardig. Dit verschil is niet meer aanwezig in de tweede herstelde rittenregistratie. De rechtbank ziet echter in de tweede herstelde rittenregistratie bij 28 april 2012 als eindstand 96.546 kilometer staan. Vervolgens zijn er geen registraties bij 29 april 2012 en 30 april 2012. De beginstand op 1 mei 2012 is vervolgens 96.578. Dat is 32 kilometer meer dan de eindstand van 29 april 2012. Voor deze 32 kilometer biedt de rittenregistratie geen verklaring. Ook eiser heeft de twijfel hierover niet kunnen wegnemen door een sluitende verklaring te geven. Gelet daarop, en gelet op de kleine marge van 6 kilometer, toont eiser met de rittenregistratie niet overtuigend aan dat hij in 2012 minder dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden met de auto.
24. De rechtbank is van oordeel dat eiser
nietovertuigend aantoont dat hij in 2013 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
25. Hoewel eiser in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie heeft verklaard en opgelost, overtuigt eiser met de tweede herstelde rittenregistratie de rechtbank niet van zijn standpunt dat hij niet meer dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden. Uit eisers tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2013 in ieder geval 481 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een hele kleine marge, namelijk 19 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.
26. De rechtbank ziet in de tweede herstelde rittenregistratie dat tussen 31 januari 2013 en 1 februari 2013, en tussen 30 maart 2013 en 2 april 2013 de kilometerstanden exact 1.000 kilometer verspringen. Tussen 29 april 2013 en 1 mei 2013 zit vervolgens een verspringing tussen de kilometerstanden van 510 kilometer. De beginstand van de volgende maand is steeds hoger dan de eindstand van de eerdere maand. Voor deze in totaal 2.510 kilometer biedt de rittenregistratie geen verklaring. Ter zitting zijn de eerste twee gebreken besproken. Eiser heeft geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. Gelet daarop toont eiser met de rittenregistratie niet overtuigend aan dat hij in 2013 minder dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.
27. De rechtbank is van oordeel dat eiser
welovertuigend aantoont dat hij in 2014 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
28. Eiser heeft in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie verklaard en opgelost. Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2014 in ieder geval 483 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een hele kleine marge, namelijk 17 kilometer, tot de grens van 500 kilometer.
29. De rechtbank ziet dan in de tweede herstelde rittenregistratie wel een aantal opvallende zaken. Zo lijkt de kilometerstand vanaf de eindstand op 19 april 2014 van 186.188 kilometer terug te lopen naar 186.172 kilometer op 22 april 2014. Die stand is gelijk aan de beginstand van 19 april 2014. Verder hebben de dagen 25 april 2014 en 28 april 2014 dezelfde begin- en eindstanden, terwijl er wel op beide dagen een rit staat geregistreerd. Soortgelijke aansluitverschillen doen zich nog een aantal maal voor in 2014. Deze gebreken acht de rechtbank echter niet per se fataal. Bij het achteraf herstellen van een rittenregistratie ligt het immers voor de hand dat er hier en daar typefouten of rekenfouten zitten. De genoemde ongerijmdheden passen naar het oordeel van de rechtbank bij dit soort fouten. Het is nu eenmaal niet meer mogelijk om op de betreffende dag de theoretische stand volgens de rittenregistratie te vergelijken met de werkelijke stand volgens de kilometerteller van de auto. De rechtbank merkt hierbij op, dat het veelal gaat om fouten die als effect hebben dat het aantal verantwoorde zakelijke kilometers
lageris dan uit de ingevoerde ritten zou volgen. Als twee zakelijke ritten die wel echt beide gemaakt zijn, beginnen met dezelfde beginstand, valt er immers effectief eentje weg in de telling van het totaal aantal zakelijke kilometers. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de ingevoerde zakelijke ritten als zodanig. In zoverre acht de rechtbank de verklaringen van eiser, in combinatie met het steunbewijs, overtuigend. Verder is van belang dat in de rittenregistratie 2014 geen 'harde' fouten zitten waar geen verklaring voor is (zoals die wel in de jaren 2012 en 2013 voorkomen). De rechtbank vindt de tweede herstelde rittenregistratie met de verklaringen van eiser en de onderliggende stukken van voldoende gewicht voor de conclusie dat eiser doet blijken dat hij in 2014 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.
30. De rechtbank is van oordeel dat eiser
welovertuigend aantoont dat hij in 2015 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
31. Eiser heeft in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie verklaard en opgelost. Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2015 in ieder geval 428 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een relatief kleine marge, namelijk 72 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.
32. De rechtbank ziet dan in de tweede herstelde rittenregistratie wel een aantal opvallende zaken. Tussen de eindkilometerstand op 13 april 2015 en de beginkilometerstand op 14 april 2015 zit 1 kilometer verschil. Datzelfde doet zich voor van 24 april 2015 op 25 april 2015. Verder ziet de rechtbank dat op 1 mei 2015 een enkele reis naar Leek geregistreerd staat, maar geen rit terug naar [woonplaats eiser] . De volgende rit (op 4 mei 2015) vangt volgens de registratie echter wel aan in [woonplaats eiser] (en is dus vice versa). Verder staan in 2015 überhaupt veel ritten naar [naam opdrachtgever] in Leek geregistreerd. Die ritten zijn steevast geregistreerd op basis van 54 kilometer enkele reis. Op 29 en 30 juni 2015 is de afstand enkele reis echter 58 kilometer, zonder dat daar een verklaring voor opgenomen is. Op 7 mei 2015 staat vermeld “APK-keuring auto”. Ook staat er dat er die dag een rit naar en terug van [naam opdrachtgever] in Leek geregistreerd. Eiser heeft maar 8 kilometer verantwoord die dag. Op 26 mei 2015 staat, naast een rit heen en terug naar Leek (108 kilometer totaal) nog eens 8 kilometer wegens "Onderhoud auto bij [naam garagebedrijf] ". Uit het door eiser overgelegde APK-keuringsrapport volgt dat de auto op 7 mei 2015 gekeurd is bij [naam garagebedrijf] , een garagebedrijf in [woonplaats eiser] , gelegen op circa 5 autokilometers afstand van eisers woonadres, en dat de afmelding aan het RDW om 16:03 heeft plaatsgevonden. Eiser heeft zelf ter zitting verklaard dat hij op de dag van de APK normaal gesproken zijn auto bij het garagebedrijf achterlaat en dan vervangend vervoer meekrijgt. Dat zou dus kunnen verklaren waarom op de dag van de APK-keuring slechts 8 kilometers geregistreerd staan. De vermelding van de rit naar Leek is dan op zichzelf wel terecht, maar heeft met een andere auto plaatsgevonden (het vervangend vervoer) en er staan dus terecht geen kilometers geregistreerd in de rittenregistratie. Uiteraard is het wel verwarrend dat er op 26 mei 2015 opnieuw een rit van en naar [naam garagebedrijf] staat vermeld.
33. De marge die eiser in dit jaar heeft is echter wat groter, namelijk 72 kilometer. De belangrijkste gebreken zijn een keer een enkel reis en geen aparte rit voor de APK. De rechtbank vindt dat deze gebreken passen bij een reconstructie achteraf. De rechtbank merkt op, dat het wat betreft de enkele reis gaat om een fout die als effect heeft dat het aantal verantwoorde zakelijke kilometers
lageris dan uit de heen en terugreis zou volgen (zie ook hiervoor onder 29.). Voorts is de marge nog voldoende om de overige, relatief geringe fouten 'op te vangen', zodanig dat daardoor de grens van 500 kilometer niet overschreden wordt. Een eventuele dubbele rit van en naar [naam garagebedrijf] en een paar keer 4 kilometers te veel enkele reis naar [naam opdrachtgever] zijn niet fataal.
34. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser doet blijken dat hij in 2015 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.
35. De rechtbank is van oordeel dat eiser
nietovertuigend aantoont dat hij in 2016 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
36. Hoewel eiser in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie heeft verklaard en opgelost, overtuigt eiser met de tweede herstelde rittenregistratie de rechtbank niet van zijn standpunt dat hij niet meer dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden. Uit eisers tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2016 in ieder geval 432 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een relatief kleine marge, namelijk 68 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.
37. De rechtbank ziet dan in de tweede herstelde rittenregistratie dat met name de maand november een aantal ernstige onvolkomenheden bevat. Op 7 november 2016 is een rit naar Amsterdam en weer terug naar [woonplaats eiser] geregistreerd (138 kilometer enkele reis). De volgende rit op 8 november 2016 vangt echter aan in Amsterdam. De rit terug naar [woonplaats eiser] wordt pas op 11 november 2016 geregistreerd. In de opvolgende weken doet dit zich hetzelfde nog een aantal maal voor. Hieruit leidt de rechtbank af dat de rit van Amsterdam terug naar [woonplaats eiser] een aantal maal ten onrechte geregistreerd is. Eiser is die week in Amsterdam gebleven om daar te werken. Het gaat dan om een aantal keer 138 kilometer die ten onrechte als zakelijk is geregistreerd. Gelet op deze gebreken, en de marge van 68 kilometer, toont eiser met de rittenregistratie niet overtuigend aan dat hij minder dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden met de auto.
Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur
38. Eiser heeft zijn stelling dat verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet in het dossier, de gang van zaken rondom de controle en de bezwaarbehandeling geen aanleiding om te oordelen dat verweerder enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
39. De beroepen in zaaknummers LEE 19/705, LEE 19/706, LEE 19/707 en LEE 19/712 zijn ongegrond.
40. De beroepen in zaaknummers LEE 19/708, LEE 19/709 en LEE 19/710 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 en de navorderingsaanslag ZVW voor het jaar 2014.
41. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Proceskosten en griffierecht
42. Omdat de rechtbank het beroep in zaken LEE 19/708, LEE 19/709 en LEE 19/710 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem in die zaken betaalde griffierecht vergoedt. Dat betreft € 47 in zaaknummer LEE 19/708 en € 47 LEE 19/710.
43. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Zoals ter zitting met partijen besproken, zullen deze worden vastgesteld op € 1.050. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaat voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand recht op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525, waarbij als wegingsfactor 1 geldt omdat er sprake is van 3 gegronde beroepen (en niet van 4 of meer).