Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
4 Fiscale resultatenrekening
4 mei 2011: 103.092 km;
25 mei 2012: 111.968 km;
23 mei 2013: 120.289 km;
9 mei 2014: 130.299 km;
29 mei 2015: 148.999 km;
6 juli 2015: 152.011 km.
Onderwerp: Bezwaarschrift op boekenonderzoek
Onderwerp: afspraak hoorzitting bezwaar IH en OB
geengebruik hebben gemaakt van de zakelijke auto.
- datum;
- beginstand en eindstand van de kilometerteller;
- beginadres en eindadres;
- de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;
- het karakter van de rit.
precieze aantalgereden (privé)kilometers betreft. Het bewijsobject is het niet overschrijden van de grens van 500 privékilometers per kalenderjaar. Anders gezegd: eiser hoeft niet tot achter de komma te bewijzen hoeveel kilometers hij privé heeft gereden, maar alleen
dat het er niet meer dan 500 zijn geweest. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de brief van 2 november 2020 aan de rechtbank heeft gerefereerd aan het bewijsaanbod dat hij heeft gedaan. De rechtbank wijst eiser erop dat het in fiscale zaken aan partijen is om hun procespositie in te vullen met de bewijsmiddelen die zij noodzakelijk achten. De rechter moet hen de gelegenheid daartoe geven, maar hoeft in dat kader geen prognose te geven van de uitkomst van de procedure of anderszins vooraf duidelijk te maken of nader bewijs zinvol zou (kunnen) zijn. De rechtbank beoordeelt deze zaken daarom aan de hand van het bewijs zoals dat er ligt.
blijktdat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.
aannemelijk te makendat er per jaar voor niet meer dan 500 kilometer privé met de auto gereden is, maar dient dat te
doen blijken. Bij aannemelijk maken gaat het erom dat de lezing van eiser het meest waarschijnlijke scenario is. Dat laat dus duidelijk ruimte voor andere, in principe ook denkbare scenario’s. Bij doen blijken moet de lezing van eiser echter buiten redelijke twijfel staan. Eiser moet overtuigend aantonen dat het in wezen niet anders kan dan dat zijn verhaal klopt. Dat betekent voor deze zaken dat zodra de rechtbank in redelijkheid twijfelt aan de lezing van eiser, hij niet slaagt in zijn bewijslast.
- de eerste herstelde rittenregistratie;
- de tweede herstelde rittenregistratie;
- zijn verklaringen in de stukken en ter zitting en
- diverse primaire bescheiden als bijlage opgenomen bij zijn nadere stuk van 31 juli 2020.
overtuigend heeft aangetoonddat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé gereden is.
nietovertuigend aantoont dat hij in 2012 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
nietovertuigend aantoont dat hij in 2013 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
welovertuigend aantoont dat hij in 2014 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
lageris dan uit de ingevoerde ritten zou volgen. Als twee zakelijke ritten die wel echt beide gemaakt zijn, beginnen met dezelfde beginstand, valt er immers effectief eentje weg in de telling van het totaal aantal zakelijke kilometers. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de ingevoerde zakelijke ritten als zodanig. In zoverre acht de rechtbank de verklaringen van eiser, in combinatie met het steunbewijs, overtuigend. Verder is van belang dat in de rittenregistratie 2014 geen 'harde' fouten zitten waar geen verklaring voor is (zoals die wel in de jaren 2012 en 2013 voorkomen). De rechtbank vindt de tweede herstelde rittenregistratie met de verklaringen van eiser en de onderliggende stukken van voldoende gewicht voor de conclusie dat eiser doet blijken dat hij in 2014 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.
welovertuigend aantoont dat hij in 2015 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
lageris dan uit de heen en terugreis zou volgen (zie ook hiervoor onder 29.). Voorts is de marge nog voldoende om de overige, relatief geringe fouten 'op te vangen', zodanig dat daardoor de grens van 500 kilometer niet overschreden wordt. Een eventuele dubbele rit van en naar [naam garagebedrijf] en een paar keer 4 kilometers te veel enkele reis naar [naam opdrachtgever] zijn niet fataal.
nietovertuigend aantoont dat hij in 2016 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.