Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
DOEL EN MIDDELEN
a) het verzorgen van hoger onderwijs voor ouderen vanaf de leeftijd van vijftig (50) jaar;
[eiseres] biedt in [provincies] van Nederland HOVO-onderwijs aan. Deze vorm van onderwijs is bedoeld voor mensen van vijftig jaar en ouder. [eiseres] is gelieerd aan [aantal] instellingen voor hoger onderwijs in de provincies [provincies] [universiteit] , [hogeschool] en [hogeschool] . De administratie wordt verzorgd in [vestigingsplaats] .”
Naar bestudering van de mij ten dienst staande gegevens, zoals de oprichtingsakte van [eiseres] , de jaarrekeningen 2007 en 2008, de studiegids en de conceptbegroting jaar 2011 kom ik tot de volgende conclusie. Gebleken is, dat alleen de belastingplicht t.a.v. de vennootschapsbelasting is beoordeeld. Voor de beoordeling van de belastingplicht voor de omzetbelasting is uitgegaan van de verstrekte gegevens bij de aanmelding zonder nadere inhoudelijke beoordeling.
In de brief van 9 oktober 2015 staat onder meer het volgende:
“Zienswijze Belastingdienst HOVO-onderwijs
Op 14 oktober jl. hebben wij afgesproken dat de Belastingdienst na intern overleg aan [vereniging] vóór 10 november 2015 uitsluitsel geeft of kan worden ingestemd met een collectieve datum vanaf welk moment alle bij [vereniging] aangesloten instellingen uitvoering dienen te geven aan het standpunt van de Belastingdienst dat HOVO-onderwijs btw-belast is. Deze datum van 10 november 2015 hangt samen met de algemene ledenvergadering van [vereniging] . Het btw-standpunt van de Belastingdienst gaat uit van het globale onderzoek van de Belastingdienst dat het cursusaanbod van de diverse HOVO-instellingen als geheel bezien min of meer hetzelfde is. Voor sommige HOVO-instellingen zal dit standpunt de expliciete intrekking betreffen van een eerder door de Belastingdienst ingenomen standpunt, wij noemen de door u per e-mail van 16 oktober jl. opgestuurde passage uit een brief van de [adressant] van 20 januari 1994. Met betrekking tot de andere HOVO-instellingen kan dit betreffen de wijziging van een door deze instelling gehanteerde gedragslijn of het niet langer accepteren van de individuele eigen fiscale btw-kwalificatie van de verrichte diensten.
bevestiging ingenomen btw-standpunt HOVO-onderwijs.”In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:
Volgens mijn gegevens bent u als instelling aangesloten bij [vereniging] , afgekort [vereniging] . Door [vereniging] is uw instelling conform de met de Belastingdienst gemaakte afspraak in de vergadering van 10 november 2015 op de hoogte gesteld van het door de Belastingdienst in zijn brieven van 9 oktober en 9 november 2015 ingenomen standpunt betreffende de btw-behandeling van de cursussen, zoals die door de verschillende bij [vereniging] aangesloten instellingen aan iedereen van vijftig jaar en ouder worden aangeboden. Deze brieven van 9 oktober en 9 november 2015 zijn conform de door de Belastingdienst met [vereniging] gemaakte afspraak aan uw instelling verstrekt.
In uw brief geeft u aan dat [eiseres] van oordeel is dat zij, gelet op de aard en inhoud van haar activiteiten, aanspraak kan maken op de vrijstelling als bedoeld in artikel 11 lid Pro 1, onderdeel p Wet op de omzetbelasting, zoals ook besloten in de brief van mijn collega (31 maart 2011, [kenmerk] ). Per 1 juli 2013 geldt de algehele vrijstelling echter niet meer voor volksuniversiteiten en andere instellingen met een vergelijkbaar aanbod. Deze BTW-goedkeuring voor volksuniversiteiten, waar ook HOVO-instellingen gebruik van maakten (brief van 5 juli 1993, nr. WV/21/ welke verlengd is op 31 mei 1994, nr. VB 94/1631) is ingetrokken na klachten dat deze goedkeuring marktwerking en concurrentie zou verstoren.”
De vrijstelling van belasting voor voordrachten en dergelijke diensten, als zijn bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel p, van de wet, geldt in gevallen waarin zij worden gehouden of verricht vanwege publiekrechtelijke lichamen, stichtingen en verenigingen en strekken tot bevordering van wetenschap of algemene ontwikkeling.”
Derhalve dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 13, A, lid 1, sub m, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een instelling als 'instelling zonder winstoogmerk' kan worden gekwalificeerd ook indien zij systematisch streeft naar overschotten die zij vervolgens aanwendt ten dienste van haar prestaties. Het eerste deel van de facultatieve voorwaarde in artikel 13, A, lid 2, sub a, eerste streepje, van de Zesde richtlijn moet op dezelfde wijze worden uitgelegd. ”
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de over het tijdvak 1 september 2016 tot en met 30 september 2016 verschuldigde omzetbelasting tot nihil;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de dwangsombeschikking;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom is verschuldigd van € 1.260;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde dwangsombeschikking;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.311.