ECLI:NL:RBNNE:2020:3861
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging buitenlandse confiscatiebeslissing
Op 8 april 2020 stelde veroordeelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebeslissing van het Hof van beroep te Gent uit 2016, waarbij een bedrag van €37.931 werd opgelegd. De rechtbank Noord-Nederland behandelde dit beroep op grond van artikel 27 van Pro de WWETGC.
De raadsman voerde aan dat fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden, omdat onduidelijk was hoe het bedrag tot stand was gekomen en veroordeelde zich niet kon verweren. Ook werd gesteld dat de beslissing disproportioneel en onbegrijpelijk was, wat zou neerkomen op een schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat het wederzijdse vertrouwen tussen EU-lidstaten betekent dat geen inhoudelijke toetsing van de buitenlandse rechtsgang plaatsvindt.
Uit het certificaat en het arrest bleek dat veroordeelde persoonlijk was verschenen en zich had kunnen verdedigen. De rechtbank verwierp de bezwaren over disproportionaliteit en onduidelijkheid over de hoofdelijke of pondspondsgewijze oplegging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.