ECLI:NL:RBNNE:2020:3825
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom vanwege overtreding Wet natuurbescherming
Verzoeker heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens overtreding van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb) en artikel 4.2, eerste lid, van de Wnb. Het bezwaar van verzoeker is gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij het primaire besluit is herroepen voor zover het betrekking had op artikel 4.2 Wnb, maar de last onder dwangsom vanwege overtreding van artikel 3.10 Wnb is in stand gelaten.
De voorzieningenrechter constateert dat sprake is van een spoedeisend belang en dat de connexiteitseis is voldaan. De vraag of de werkzaamheden opzettelijk hebben geleid tot beschadiging of vernieling van een dassenburcht vereist een nadere beoordeling die niet in deze voorlopige voorziening kan worden beantwoord. Daarom wordt de behandeling van het onderliggende beroep verwezen naar de meervoudige kamer.
De ecologische rapporten tonen aan dat de werkzaamheden urgent zijn en noodzakelijk om ecologische schade te voorkomen. Verzoeker heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat handhaving noodzakelijk is en heeft geen belemmeringen gesteld om aan de last te voldoen. Gezien het algemeen belang bij handhaving en de duidelijke instructies aan verzoeker, wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.