Veroordeelde was veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, waarvan de detentie op 8 januari 2020 was aangevangen. Hij nam deel aan een penitentiair programma waarbij dagbesteding verplicht was. Na onenigheid met een begeleider verloor hij per 13 juli 2020 zijn dagbesteding en had hij tot 22 juli 2020 geen nieuw werk gevonden. Op die dag moest hij zich melden bij de penitentiaire inrichting Veenhuizen, maar hij verscheen niet, knipte zijn enkelband door en was niet traceerbaar tot zijn aanhouding op 12 augustus 2020.
De officier van justitie vorderde uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor 90 dagen wegens onttrekking aan de tenuitvoerlegging van de straf. Veroordeelde erkende de onttrekking, maar gaf aan dat de coronapandemie het vinden van werk bemoeilijkte. Zijn raadsman betoogde dat uitstel neerkomt op dubbele bestraffing, omdat het penitentiair programma al was beëindigd en veroordeelde het restant van zijn straf in een sober regime ondergaat.
De rechtbank oordeelde dat de onttrekking een grensoverschrijding vormt en dat uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling geen dubbele bestraffing is. Gezien het goede gedrag van veroordeelde voor de onttrekking en de omstandigheden achtte de rechtbank een eenmalige fout aannemelijk, maar vond uitstel van 30 dagen passend als signaal. De vordering werd daarom gedeeltelijk toegewezen.