Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[belanghebbenden], te [plaats], belanghebbenden,
derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: de [derde-belanghebbende], gevestigd te [plaats], derde-belanghebbende,
Rechtbank Noord-Nederland
Bij besluit van 18 juni 2019 verleende het college van burgemeester en wethouders van Coevorden een omgevingsvergunning aan een derde-belanghebbende voor het verdiepen van de Huttenheugte plas en het realiseren van een zanddepot. Belanghebbenden stelden beroep in en vroegen om een voorlopige voorziening, die op 10 september 2019 werd toegewezen, waardoor het besluit werd geschorst.
Verzoekster, de provincie Drenthe, vroeg op 22 juli 2020 om opheffing van deze voorlopige voorziening nadat de vergunning op haar naam was overgeschreven. Zij stelde dat haar belangen bij de voorlopige voorziening niet waren betrokken en dat uit deskundigenrapporten bleek dat de vergunning grotendeels rechtmatig was en overlast beperkt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster als belanghebbende kon optreden en dat het verzoek niet strijdig was met de procesorde. Echter, inhoudelijk was er onvoldoende duidelijkheid over de naleving van geluidsnormen, mede door verschillen in bedrijfstijden tussen de aanvraag en de rapporten. Ook was niet aangetoond dat de vergunning binnen de grondslag van de aanvraag bleef. Daarom werd het verzoek tot opheffing afgewezen.
De rechter overwoog verder dat bezwaren over stikstofdepositie en fijnstofconcentraties niet opheffing in de weg stonden, en dat de belangenafweging in het voordeel van de belanghebbenden uitviel vanwege de onzekerheden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen de uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het zanddepot wordt afgewezen vanwege onduidelijkheden over geluidsnormen en bedrijfstijden.