Tijdens de terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 27 augustus 2020 werd een wrakingsverzoek ingediend tegen de oudste rechter van de kamer. Verzoeker stelde dat de oudste rechter zich vooringenomen had getoond door verbaal en non-verbaal afkeer te uiten, onder meer door hem uit te maken voor 'mongool' en zich vervolgens af te wenden.
De rechtbank heeft het proces-verbaal van de zitting bestudeerd en vastgesteld dat de oudste rechter niet expliciet de term 'mongool' tegen verzoeker heeft gebruikt, maar wel diens zelfkwalificatie herhaalde en suggereerde dat dit verband hield met een bedreiging. Tevens werd geconstateerd dat de rechter zich non-verbaal afkeerde, wat in de context van de zitting als een blijk van vooringenomenheid werd beoordeeld.
De rechtbank overwoog dat een rechter in beginsel onpartijdig wordt vermoed, maar dat uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren, een wraking rechtvaardigen. Gezien de verbale en non-verbale gedragingen van de oudste rechter achtte de rechtbank het vertrouwen van verzoeker in een onbevooroordeelde beoordeling geschaad.
Daarom werd het wrakingsverzoek toegewezen en werd de beslissing onverwijld aan alle betrokkenen medegedeeld.