De zaak betreft een geschil tussen huurder en verhuurder over de beëindiging van een huurovereenkomst. De huurder huurde sinds 2015 een zelfstandige woonruimte op basis van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. In 2018 werd een nieuwe huurovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar gesloten, zonder huurbescherming, waarbij de verhuurder zich beriep op de Wet doorstroming huurmarkt 2015.
De huurder betwistte dat hij afstand had gedaan van zijn huurbescherming en stelde dat de oorspronkelijke overeenkomst voortduurde. De kantonrechter oordeelde dat de huurder niet voldoende was geïnformeerd over de gevolgen van de nieuwe overeenkomst en dat er geen bewijs was dat hij willens en wetens afstand had gedaan van zijn rechten.
Op basis van de Haviltex-formule werd geconcludeerd dat de tweede overeenkomst niet bedoeld was als tijdelijke vervanging, maar als voortzetting van de oorspronkelijke overeenkomst. De kantonrechter wees de vorderingen van de verhuurder af en bevestigde dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd voortduurde, met behoud van huurbescherming.
Daarnaast werd de vergelijking met de Ragetlie-regel uit het arbeidsrecht gemaakt, wat de bescherming van de huurder versterkte. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.