ECLI:NL:RBNNE:2020:2166
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- B.I. Klaassens
- H.H.A. Fransen
- R. Depping
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM in vordering tot ontneming na vrijspraak verdachte
De officier van justitie vorderde op 12 april 2019 dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou vaststellen en dat verdachte dit bedrag aan de staat zou moeten betalen. Deze vordering betrof een bedrag van € 439.354,16, gerelateerd aan de onderliggende strafzaak met parketnummer 18/930012-19.
De rechtbank nam kennis van het rapport over de voorlopige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de conclusies van de raadsvrouw van verdachte en de repliek van het Openbaar Ministerie. De behandeling van de ontnemingsvordering vond gelijktijdig plaats met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 26 mei 2020.
Op 16 juni 2020 sprak de rechtbank verdachte vrij van het feit waarop de ontnemingsvordering was gebaseerd. Gezien deze vrijspraak verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Assen, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis ondertekenden.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak van verdachte.