ECLI:NL:RBNNE:2020:1679
Rechtbank Noord-Nederland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Veroordeling proceskosten na intrekking beroep wegens regularisatie socialezekerheidsrecht Luxemburg 2011
Eiser verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een regularisatieovereenkomst te sluiten met de Luxemburgse bevoegde autoriteit voor de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011. Verweerder wees dit verzoek aanvankelijk af en stelde dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was. Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar deels gegrond en was bereid de overeenkomst te sluiten, maar verklaarde het bezwaar tegen het toepasselijke Nederlandse recht ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van verweerder aan dat de Luxemburgse bevoegde autoriteit inmiddels akkoord was gegaan met de regularisatie voor de betreffende periode. Hierdoor trok eiser het beroep in en verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten. Ondanks verzet van verweerder oordeelde de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 8:75a Awb veroordeeld moet worden in de proceskosten, omdat verweerder pas ter zitting de brief van de Luxemburgse autoriteit overhandigde en het procesbelang daardoor was komen te vervallen.
De rechtbank begrootte de proceskosten op €1.050,- voor rechtsbijstand en veroordeelde verweerder tevens tot vergoeding van het griffierecht van €47,-. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 10 april 2020 en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het beroep wegens instemming Luxemburgse autoriteit.