De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 18 maart 2020 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan schuldwitwassen. Verdachte zou een bankrekening hebben geopend en ter beschikking gesteld aan haar dochter, die geld verduisterde van haar werkgever en dit op die rekening stortte.
De officier van justitie vorderde vrijspraak van het primair ten laste gelegde, maar eiste een taakstraf voor het subsidiair ten laste gelegde, medeplichtigheid aan schuldwitwassen. De verdediging pleitte voor volledige vrijspraak, stellende dat opzet op het gronddelict ontbrak.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet de beschikking had over de bankrekening en geen gebruik maakte van het geld. Hoewel verdachte opzet had op de hulpverlening door het ter beschikking stellen van de rekening, ontbrak het bewijs dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de rekening voor witwassen werd gebruikt. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlasteleggingen.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het ten laste gelegde niet bewezen was. De rechtbank bepaalde dat de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter moet aanbrengen.